The great Dutch gas transition

Karel Beckman and Jilles van den Beukel

OIES (Oxford Institute of Energy Studies), July 2019

Introduction

The Natural Gas Programme at OIES has produced a significant amount of research over the past three years on the issue of the decarbonisation of the gas sector in Europe. We have highlighted the challenges that this poses for traditional players across the gas industry in the region, as it has been made clear that gas has a limited future in the EU unless it can show how it will contribute to achieving a net zero emissions target by 2050. We now examine the strategy of a specific country, the Netherlands, which relies more on natural gas than any other country in the EU but which has embarked on an energy transition intended to lead to a complete phaseout of unabated natural gas consumption and production by 2050. This provides an excellent case study of the challenges, risks and costs that will be faced by the gas industry as a whole in the EU over the next three decades.

The prospects for natural gas in the Netherlands changed dramatically between 2012 and 2018 due to rising concerns over climate change and induced earthquakes in the gas-producing province of Groningen, leading to a shift in policy focus from financial to environmental and safety concerns. In October 2017 the newly elected government adopted ambitious greenhouse gas emission reduction targets implying that consumption of unabated natural gas must cease completely by 2050. In March 2018 the government announced that production from the giant Groningen field, for over 50 years the mainstay of Dutch gas production, will be phased out as quickly as possible and no later than 2030.

At the instigation of the government, civil society organisations negotiated a detailed Climate Accord which indicates how the government-set greenhouse gas emission reduction targets in five economic sectors (electricity, industry, built environment, transport and agriculture) are to be reached. The final version of the Climate Accord, which entails a complete conversion from gas-fired to ‘sustainable heating’ of all buildings in the Netherlands, 100 per cent renewable power production, and a conversion to ‘sustainable’ (net zero emission) industrial heating processes by 2050 (with intermediate targets for 2030), was sent to Parliament in June 2019.

Despite the political consensus on climate policy goals, and the speedy realisation of a Climate Accord, there is still a great deal of uncertainty as to what shape the energy transition in the Netherlands will take. Progress has been slow, particularly in the buildings sector and industry, and surrounded by controversy. It is also unclear to what extent the Dutch energy system will be electrified, and what role there will be for hydrogen.

In response to the political and public opposition to natural gas, the Dutch gas industry developed a strategy based on the continued use of ‘molecules’ in the energy system in the form of ‘sustainable gases’ (hydrogen, biogas, biomethane). In this system it sees a future role for itself as a producer, trader and transporter of sustainable gases, while developing new activities in areas in line with its expertise, such as offshore energy activities, ‘deep’ geothermal, transport and storage of CO2, and construction of district heating networks. For most of these alternative activities, the industry prepared ‘roadmaps’ in 2017 and 2018, but to date few concrete projects have been undertaken and it is unclear whether the industry will succeed in its self-imposed transformation.

We conclude that, although the Dutch gas industry has responded proactively to the challenges with which it is confronted and the goal to phase out natural gas faces technical, political and economic limitations, the transition to a zero-emission energy system is likely to continue and could represent a serious threat to the future of the Dutch gas industry.

 

Full paper on the OIES site (Oxford Institute for Energy Studies)

 

Advertisements
Posted in Geen categorie | Leave a comment

Investeerders in schalieolie begeven zich naar de uitgang

Energeia, 29-7-2019

In de Nederlandse media leest men meer over zon en wind dan over olie en gas. En in zekere zin is dat begrijpelijk: olie en gas mogen dan het heden hebben, maar zon en wind hebben de toekomst. Toch? Al die aandacht heeft ertoe geleid dat men er in Nederland soms voetstoots van uitgaat dat technologische vooruitgang en kostendalingen zijn voorbehouden aan de wereld van zon en wind. Dat is niet zo.

De afgelopen tien jaar steeg het aandeel “nieuw duurzaam” (zon en wind) in de wereldwijde primaire energievoorziening van 0 naar ruim 2 procent. In diezelfde tijd steeg het aandeel “nieuw fossiel” (schalieolie en -gas) van 0 naar ongeveer 6 procent. Schalieolie uit de VS zorgde ervoor dat de olieprijzen de laatste 5 jaar rond de 60 dollar per vat lagen en niet rond de 120 dollar, zoals in de 5 jaar daarvoor.

Hoe lang kan schalieolie nog snel doorgroeien?

De olie-industrie heeft over schalieolie altijd gemengde gevoelens gehad. Aan de ene kant is er het respect voor de grote technische prestatie die hier geleverd is; decennia lang werd dit voor onmogelijk gehouden. En is er de trots in de VS dat men met de snel stijgende productie op het punt staat een netto exporteur van olie te worden en niet meer afhankelijk is van een land als Saoedi-Arabië. Energy independence!

Daartegenover staat een unheimisch gevoel: hoe lang kan dit nog goed blijven gaan? Wanneer krijgt de zwaartekracht vat op de als een raket stijgende productie van schalieolie in de VS? Tenslotte is deze industrie als geheel al 10 jaar lang verliesgevend.

Bij de managers van schalieoliebedrijven leek lange tijd het eerste gevoel te overheersen: tot nu toe is alles goed gegaan en verdere technologische vooruitgang zal ons redden. Onderschat nooit de menselijke inventiviteit!

Maar bij de geologen en ingenieurs in het veld komt al geruime tijd vooral het tweede gevoel naar voren bij de AAPG (the American Association of Petroleum Geologists) of de SPE (the Society of Petroleum Engineers). We produceren steeds meer water en gas met de schalieolie mee en die trend zal zich onherroepelijk verder voortzetten. Nieuwe putten in de best producerende gebieden worden op steeds kleiner afstand van bestaande putten geboord, het vermindert de productie met 20 tot 40%, en die trend zal zich onherroepelijk verder voortzetten. Waarom negeert de financiële wereld onze waarschuwingen?

Het sentiment rond schalieolie verslechtert

Dit jaar lijkt de financiële wereld wel met andere ogen tegen schalieolie te gaan aankijken. Het sentiment rond schalieolie is merkbaar verslechterd. De slechte koersontwikkeling van schalieoliebedrijven, niet alleen ten opzichte van de S&P 500 maar met name ook ten opzichte van conventionele oliebedrijven als Shell, springt steeds meer in het oog. Ook onder de grotere schalieolieproducenten was een halvering van de aandeelprijs de laatste 12 maanden niet ongewoon.

De financiering, vooral door middel van high yield obligaties, droogt langzaam op. Verwacht wordt dat die in 2019 de helft zal bedragen van die in voorafgaande jaren. Let wel: wat er in de laatste 12 maanden geboord is bepaalt voor een groot deel wat men op dit moment produceert; de productie in het eerste jaar van een put kan 50 tot 70% van de totale productie bedragen.

Service companies zoals Schlumberger waarschuwen dat er nu minder vraag is naar hun diensten in schalieolie. Bedrijven als Caterpillar waarschuwen dat er minder zware machines verkocht worden in het schalieolie segment.

De groei van de schalieolie productie is de laatste maanden tot stilstand gekomen. Hervat de productiestijging zich nu weer snel of begint de productie werkelijk een plateau te bereiken?

Hoe betrouwbaar zijn de cijfers?

Deze week presenteerde Kayross, een bedrijf gespecialiseerd in de analyse van data betreffende energie, de resultaten van een analyse met satellietdata van producerende putten in de Permian. Zij stellen dat hier alleen in 2018 meer dan 1100 van de dat jaar geboorde putten, ongeveer 20% van het totaal, niet gerapporteerd zijn in de officiële databases. Het betreft hier naar verluid vooral niet of slecht producerende putten van niet beurs genoteerde bedrijven.

Als deze analyse correct is zijn de implicaties groot. Het impliceert dat de werkelijke gemiddelde productie per put lager is dan tot nu toe aangenomen (de door de EIA gerapporteerde productie klopt; wat onderschat wordt is het aantal putten waarmee deze productie bereikt wordt). De gemiddelde kosten per geproduceerde barrel zijn hoger dan geschat. Totale kosten voor producenten zijn onderschat met ongeveer 4 miljard dollar.

Binnen de industrie zijn de reacties tweeledig: Aan de ene kant: ongeloof; dit kan toch niet waar zijn. Aan de andere kant: dit is een serieus bedrijf met analisten met een grote reputatie (waaronder een voormalig president van Schlumberger Business Consulting en een voormalig chief oil analyst van de IEA). In een non-executive rol zijn zwaargewichten als Andrew Gould (ex BG) en Lord Brown (ex BP) bij dit bedrijf betrokken; zij verbinden zich niet aan een bedrijf dat onzinverhalen verkoopt.

Dit alles zou een verklaring kunnen zijn waarom de officiële cijfers van de EIA lange tijd nog steeds een lichte stijging van de productiviteit per put lieten zien terwijl veel signalen uit het veld erop wijzen dat er een plateau is bereikt of zelfs een lichte daling is ingezet. Het zou er ook op kunnen duiden dat de gerapporteerde raadselachtige grote stijging van de DUC’s (drilled and uncompleted wells) in werkelijkheid niet, of slechts in beperkte mate, heeft plaats gevonden. Waarom zou een industrie met cash flow problemen een groot aantal half klare producten (putten die wel geboord maar nog niet gefrackt zijn) lange tijd op de plank laten liggen?

Investeerders begeven zich naar de uitgang

Investeerders begeven zich nu naar de uitgang. Wordt dat een zich ordelijk terugtrekken en een gestaag doordruppelen van faillissementen van de zwakke broeders onder de schalieolieproducenten, zoals dat al enige jaren aan de gang is? Of raakt men in paniek en wordt het rennen naar de uitgang? In dat laatste geval: riemen vast!

Posted in Geen categorie | Leave a comment

Shale versus Shell

Shale versus Shell

Wie zwicht er het eerst?

Energeia, 26-6-2019

Shale

De producenten van schalieolie in de VS bevinden zich financieel in zwaar weer. Winst is er tot nu toe, voor deze industrie als geheel, niet gemaakt. Er is veel geld geleend en de financieringslasten lopen langzaam op. Voor een hogere rente zijn deze bedrijven net zo benauwd als voor lagere olieprijzen. De animo onder investeerders om meer geld in deze industrie te pompen neemt langzaam maar zeker af.

Er vindt hier dan ook een consolidatieslag plaats. Het grootste wapenfeit tot nu toe was de overname van Anadarko door Occidental voor 56 miljard dollar. Nu het grootste deel van de technische vooruitgang bij de winning van schalieolie achter de rug ligt, lijkt de beste mogelijkheid om de kosten verder omlaag te brengen het verkrijgen van zo groot mogelijke aaneengesloten licenties die het beste startpunt vormen voor de fabrieksmatige aanpak bij het produceren van schalieolie. Daarnaast kan het opereren van de gehele keten (productie, pijpleidingen én raffinaderijen) extra waarde opleveren.

De majors zoals Shell en BP hebben geen technische voorsprong op de niche schalieolie producenten; sommige van hen hebben dat in het verleden op pijnlijke wijze ondervonden. Maar zij hebben wel de financiële slagkracht om de grote investeringen te doen die in deze consolidatiefase nodig zijn om de kosten verder omlaag te brengen. Zij moeten hun nieuwe olie ergens vandaan halen en het effect van de relatief lage investeringen in conventionele olie van de laatste 5 jaar is niet zomaar ongedaan gemaakt.

Shell

Shell heeft het de afgelopen jaren financieel goed gedaan. De cash flow van Shell is nu de hoogste van de majors; hoger dan die van grote concurrent ExxonMobil. Met name downstream en integrated gas deden het goed de afgelopen jaren. Wat lijkt 2016, toen er twijfels waren over de houdbaarheid van het dividend, al weer lang geleden.

Er is echter ook een keerzijde van de medaille. De relatief hoge cash flow was ook gerelateerd aan de relatief lage investeringen in nieuwe olieproductie. Olie is een segment dat binnen Shell niet onder het kopje groei valt maar onder het kopje cash cow. Tesamen met de matige resultaten in exploratie (het zoeken naar nieuwe velden) zorgde dat voor dalende oliereserves. De verhouding tussen bewezen oliereserves en jaarlijke productie is nu gedaald tot een historisch laag niveau van 6.

Ter vergelijking: voor ExxonMobil ligt deze verhouding op 14. Het gemiddelde voor de majors ligt rond de 10. Daarmee lijkt Shell voor te sorteren op een snelle energietransitie (maar wel een waarbij gas een belangrijke rol speelt als fossiele transitie brandstof) en lijkt ExxonMobil voor te sorteren op een langzame energietransitie.

Wie zwicht er het eerst?

Maar wat als die snelle energietransitie er niet komt? Want laten we wel zijn: de energietransitie was er tot nu toe een van ambities; niet van resultaten. Wereldwijd stijgt de olievraag steeds verder door. De bij de recente strategy update aangekondigde investeringsplannen van Shell illustreerden nog eens hoe groot voorlopig de investeringen aan de fossiele kant zijn en hoe klein de investeringen in New Energies, alle ambities ten spijt.

De recente gesprekken met Endeavor, een van de grotere overname kandidaten onder de schalieolie bedrijven in de VS, liepen voorlopig op niets uit. Toch lijkt het voor Shell geen optie te zijn om de relatief geringe activiteiten in schalieolie niet te gaan uitbreiden. Het heeft niet de luxe van Total, de enige van de majors die schalieolie vrijwel geheel links laat liggen, met bewezen oliereserves van ruim 10 keer de jaarlijkse productie.

Daarmee lijken zowel de schalieolie producenten in de VS als Shell voorlopig een afwachtende houding aan te nemen. De schalieolie producenten wachten tot een dalende olieproductie Shell echt pijn begint te doen. En Shell wacht erop totdat de financiële situatie van mogelijke VS schalieolie overname kandidaten dermate nijpend begint te worden dat hun prijs gaat zakken. Bij de huidige vraagprijs klopt het financiële plaatje niet voor Shell. Shale versus Shell: wie zwicht er het eerst?

 

Posted in Geen categorie | Leave a comment

Laat goedkoop gas kolen eruit werken

Energeia, 28-5-2019

De afgelopen jaren was er veel kritiek op het klimaatbeleid van president Trump. Dat was terecht. Het opzeggen van het klimaatverdrag van Parijs of het terugdraaien van maatregelen om methaanemissies tegen te gaan zijn niet te verdedigen.

Dat desondanks de uitstoot van broeikasgassen zich de laatste 5 jaar in de VS beter ontwikkelde dan in de EU geeft stof tot nadenken. De reden is vooral dat gas, met een veel lagere CO2 uitstoot, hier kolen in een relatief snel tempo verdreef. Niet dankzij maar ondanks het beleid van Trump.

Goedkoop schaliegas concurreert kolen geleidelijk aan weg in de VS. Dat gas is blijvend goedkoop. De hoeveelheid schaliegas in de VS is praktisch onuitputtelijk en de kosten om het uit de grond te halen worden alleen maar lager.

Kan zoiets zich in de EU herhalen? Schaliegas wordt het niet hier en dat ligt niet alleen aan het verzet van NGO’s maar ook aan geologie, kosten niveaus en de grote footprint van de winning van schaliegas die in dichtbevolkt West Europa moeilijk voorstelbaar is.

Maar voor goedkoop gas is schaliegas helemaal niet nodig. Op de meeste plekken in de wereld is conventioneel gas veel goedkoper dan schaliegas om te produceren. Dat gas wordt steeds meer als LNG (vloeibaar gas) de wereld rond gevaren en wordt steeds vaker op spot markets verhandeld in plaats van via lang lopende contracten. Ook hier dalen de kosten.

De afgelopen jaren kwam er steeds meer LNG op de markt. Het afgelopen half jaar daalden de gasprijzen op de spot markets in de EU en Azië met zo’n 40%. De vraag in Azië groeit snel maar kan het toenemende aanbod nu niet meer bijbenen. Afgelopen winter werden er steeds meer LNG tankers die normaal naar Azië zouden gaan richting Europa gestuurd. Europa werd daarmee de swing consumer voor gas. De gasprijzen zijn hier nu weer op het niveau waarop gas kolen verdringt, puur om commerciële redenen.

Ondertussen komen er nieuwe Russische pijpleiding projecten aan: Nordstream2 en Turkstream naar Europa en de Power of Siberia naar China. Goedkoop gas om deze pijpleidingen te kunnen vullen hebben de Russen meer dan genoeg; zij hebben de grootste gasreserves ter wereld. Europa zou wel eens het slagveld kunnen worden waar Russisch gas het uitvecht met een aanvoer van LNG vanuit allerlei plekken op de wereld.

Nordstream2, dat nu gebouwd wordt op kosten van Gazprom, is voor de EU zo gek nog niet. Afhankelijkheid van Russisch gas is geen probleem als je een alternatief hebt. En dat hebben we met LNG; meer dan vroeger.

Lage kosten voor gas kunnen in Europa, net als in de VS, kolen eruit werken. Laten we dat niet onnodig moeilijk maken door bij voorbeeld iets als Nordstream2 te gaan tegenwerken. Puur op basis van de markt kan onze elektriciteitsproduktie nu snel verder convergeren naar een mix van renewables en gas. Met wat kerncentrales die we zo lang mogelijk door laten draaien. Met een snelle groei van renewables die wel hun backup, in de vorm van gas, nodig hebben. Niet de perfecte oplossing op de lange termijn maar wel een goede op de korte en middellange termijn.

Ons energiebeleid hoeft niet alleen gebaseerd te worden op fraaie vergezichten voor 2050. Laat de dominee met zijn klimaatbijbel in de hand nu profiteren van de mogelijkheden die de gaskoopman op de markt hem biedt. Zijn liefde voor het klimaat heeft toch wel de overhand op zijn antipathie tegen olie- en gasproducenten?

Posted in Geen categorie | Leave a comment

De foute keuzes van Greenpeace

Energeia, 29-4-2019

Shell had in de jaren 70 van de vorige eeuw een joint venture met Gulf (het huidige Chevron): General Atomic. Ze ontwikkelden een nieuw type nucleaire reactor. Men tekende de eerste contracten om ze ook te gaan bouwen.

Toen begin jaren 80 kernenergie niet unstoppable bleek blies men de hele zaak weer af. De olie- en gasindustrie heeft veel profijt gehad van het verbeten verzet van NGO’s tegen kernenergie. Het klimaat niet.

In sommige landen zette men door. In Frankrijk is de mix van kernenergie en waterkracht nog steeds een gelukkige combinatie. Kernenergie zorgt voor de basislast; waterkracht wordt gebruikt om de pieken op te vangen. Het zorgt ervoor dat Frankrijk al lange tijd een bijzonder lage CO2 uitstoot per eenheid opgewekte elektriciteit heeft.

Kernenergie is een veilige vorm van elektriciteitsproductie: per eenheid energie ligt het aantal doden ordes van grootte lager dan dat bij fossiele brandstoffen. En dan hebben we het nog niet gehad over de gevolgen van klimaatverandering.

In veel landen bleef kernenergie steken op een beperkte rol aan de zijlijn van het energiesysteem. Dat had anders gekund. De geschiedenis had een andere afslag kunnen nemen. Een afslag waarin deze industrie zich was blijven ontwikkelen en nu tegen steeds lagere kosten grote aantallen kerncentrales had gebouwd met een meer gestandaardiseerd ontwerp.

Het heeft geen zin om te mijmeren over wat had kunnen zijn. Kernenergie is voorlopig geen reële optie in Nederland. Het werkelijke probleem is niet zozeer een gebrek aan draagkracht maar het simpele feit dat kernenergie hier niet meer commercieel aantrekkelijk is.

De paar kerncentrales die nu nog in Europa gebouwd worden zijn dure one off adventuresdie ook nog eens ver over budget gaan. Deze industrietak, het bouwen van nieuwe kerncentrales, weer helemaal op te bouwen vergt grote en langdurige steun. Dat valt – in goed hedendaags Nederlands – buiten de beleidsrealiteit.

Het heeft wel zin om te reflecteren over de rol van NGO’s. Zij kunnen een heel goede rol vervullen in het bewustmaken van issues als klimaatverandering – iets dat wij veel te lang hebben genegeerd. Hun invloed in Nederland is groot. Waren het vroeger de persberichten van grote bedrijven die in min of meer onveranderde vorm in sommige media verschenen; nu zijn het die van NGO’s.

Jammer genoeg is hun beoordelingsvermogen om de juiste oplossingen te kiezen kleiner dan hun vermogen om dingen op de agenda te krijgen of om het draagvlak te ondermijnen van de oplossingen die hen niet bevallen.

In vrijwel alle scenario’s waar de opwarming tot ruim beneden de twee graden beperkt wordt speelt CCS (ondergrondse opslag van CO2) een substantiële rol. Onder serieuze wetenschappers die zich hiermee bezighouden is er een zeer ruime meerderheid die vindt dat dit op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is.

Twijfel zaaien over de veiligheid van CCS, zoals NGO’s veelal doen, is equivalent aan twijfel zaaien over de menselijke oorzaken van klimaatsverandering. Het kan onwetendheid zijn maar veeleer lijkt het een poging de eigen keuzes op het gebied van de energietransitie er door te drukken. Het is een kieskeurigheid die we ons niet meer kunnen permitteren.

 

Posted in Geen categorie | Leave a comment

De groeiende rol van private equity op de Noordzee

Energeia, 1-4-2019

Shell, BP en ExxonMobil trekken zich geleidelijk aan terug uit de olie- en gasproductie op de Noordzee. Stijgende kosten voor oudere velden en een beperkte scope voor het vinden van nieuwe velden betekenen dat een gebied als de Noordzee (Noorwegen niet mee gerekend) niet meer goed scoort in een wereldwijde ranking van hun portfolio’s. Het uitmelken van oudere assets tegen minimale kosten is niet de specialiteit van de majors. Het klimaat voor olie- en gasproducenten in West Europa, voorloper op het gebied van de energietransitie, is sowieso niet goed.

De meer succesvolle exploranten in het zoeken naar nieuwe velden op de Noordzee waren de laatste 2 decennia kleinere bedrijven zoals Lundin in Noorwegen of Nexen in het Verenigd Koninkrijk. Geologen die al 10 of 20 jaar niets anders doen dan zich bezig houden met de Jurassic of de Chalk in de Noordzee vind je niet gauw meer bij de majors. Eerder bij deze kleinere niche bedrijven.

Behalve de majors is er nog een andere groep bedrijven die zich hier terugtrekken: utilities zoals Engie, RWE, Bayerngas, Nuon en hoe zij ook mogen heten. Ooit besloten zij dat het zin had om een gedeelte van het gas dat zij in Europa verkochten ook zelf te gaan produceren. Net zo massaal als zij er ooit instapten zijn ze er de afgelopen jaren, met het oog op de komende energietransitie in Europa, weer uitgestapt – soms na een substantiële financiële afschrijving.

Wie stappen er in dit gat? Wintershall is een relatief succesvolle producent met een blijvende focus op de Noordzee. Equinor blijft trouw aan Noorwegen. Er is één van de majors die zich niet terug trekt uit de Noordzee: Total. Zij exploreren actief in de 2 gebieden in het Verenigd Koninkrijk met het meeste resterende potentieel: West of Shetland en de HPHT (high pressure, high temperature) play in de Central Graben.

Toen de Maersk groep in 2017 besloot hun olie en gas dochter te verkopen was Total de koper. Hun Deense offshore olieproductie uit de Chalk (kalksteen) van ruim 100,000 vaten per dag is nog steeds substantieel. De Deense kennis op het gebied van Chalk is voor Total in het Midden Oosten van grote waarde. Hoe het de Denen zal bevallen onder een Frans regime is een ander verhaal…

Maar de meest interessante ontwikkeling is wel de snel groter wordende rol van private equity in de Noordzee. Chrysaor werd met de overname in 2017 voor 3,8 miljard dollar van een pakket assets van Shell een van de grotere spelers op de Noordzee. Neptune nam voor 4,7 miljard euro in 2018 de assets van Engie over. Het is nu de grootste offshore operator in Nederland. De private equity bedrijven die hen financieren (EIG voor Chrysaor, Carlyle en CVC voor Neptune) zijn veel minder bekend.

Ook in exploratie spelen zij een steeds grotere rol. Siccar Point Energy (financiers: Blackstone en BWE) heeft de laatste jaren een uitermate interessante portfolio van prospects in het West of Shetland gebied opgebouwd. De combinatie van financiers met diepe zakken, een vermogen om snel te beslissen en de lage olieprijs maakte dat mogelijk. Voor een eventuele ontwikkeling van nieuwe velden hebben zij nu een kapitaalkrachtige non-operating partner opgelijnd: Shell.

Private equity kan een aantrekkelijke financier zijn voor een olie- of gasproducent in de Noordzee. Het mag dan een veeleisende financier zijn, het is ook een ter zake kundige financier die bereid is om countercyclisch te investeren, voor langere tijd. Dat kan beter bevallen dan een beursnotering waar men elk kwartaal opnieuw examen af moet leggen of het omgaan met stakeholders zoals banken en pensioenfondsen die, in hun ijver bij te dragen tot (hun imago van) duurzaamheid, qua investeren in olie en gas steeds meer de rol van krabbende ankers lijken te gaan vervullen.

Hoe zal het private equity in Noordzee olie en gas vergaan? Het laag houden van de prijs bij het overnemen van bestaande assets lukte goed de afgelopen jaren. Vaak slaagde men er in te bedingen dat de verkoper voor een deel verantwoordelijk blijft voor latere abandonment kosten. Het bij elkaar brengen van een kundig management en technisch team dat deze assets efficiënt kan runnen lukt ook best. De vraag is nu: lukt het ooit om deze assets weer door te verkopen tegen een aantrekkelijke prijs?

Bij private equity zal de ambitie er vaak zijn om er na 5 of 10 jaar weer uit te stappen. Focust men tot die tijd op uitmelken of is men bereid te investeren om de productie op peil te houden? Of het een directe verkoop of een beursgang wordt: qua timing mikt men hier op een volgende cyclus van hoge olieprijzen ergens tussen 2020 en 2025. Of die er ook komt is een ander verhaal…

Posted in Geen categorie | Leave a comment

Zinloos versterken in Groningen

Energeia, 12-3-2019

Met het besluit om de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk te stoppen verdween ook de rationale voor een uitgebreid versterkingsprogramma in Groningen. Het betekent dat naar schatting 80% van de seismiciteit nu achter de rug is. Voor slechts 1500 huizen wordt ingeschat dat zij op dit moment niet aan de Meijdam norm voldoen.

Het is dezelfde norm die gehanteerd wordt bij het risico van overstroming in laaggelegen gebieden in Nederland. Ook daar zijn er huizen die niet aan de norm voldoen. In tegenstelling tot Groningen ligt geen mens er wakker van. Het is de risicoperceptie die bepaalt of men wakker ligt; niet het risico zelf.

Modellen hebben, onvermijdelijk, een bepaalde onzekerheid. Wil men die omlaag brengen dan moet men ter plekke inspecteren en een meer gedetailleerde risicoanalyse opstellen; voor elk huis waarvoor er enige kans bestaat dat het niet aan de norm voldoet (en dat zijn er eerder zo’n 15000 dan 1500). Dat is een gigantische klus die veel tijd vergt.

Ondertussen daalt het seismische risico snel. Voor slechts 200 huizen wordt nu ingeschat dat zij in 2023 niet aan de Meijdam norm zullen voldoen. Tegen die tijd zijn we misschien net klaar met inspecteren. In 2025 zal het aantal dicht bij 0 liggen.

Vrijwel iedereen die zich bezighoudt met de technische aspecten van dit dossier is hiervan op de hoogte. Als men minister Wiebes al iets kan verwijten is het dat hij de Groningers niet duidelijker zegt dat versterken zinloos is geworden. Of willen de Groningers dat niet horen? Wil men gaan versterken enkel en alleen omdat dat in het verleden in de lijn der verwachtingen lag, in een tijd dat men er vanuit ging dat de gaswinning hier nog decennia lang door zou gaan?

In Groningen voltrekt zich een ramp hoort men nu veelal. Is dat zo? Er is geen Groninger dood gegaan door een ingestort huis. Er is geen Groninger gewond geraakt door een vallende dakpan. De kans dat dat gaat gebeuren is uitermate klein.

Wat rampzalig is, is de manier waarop wij met dit probleem omgaan. De voortdurende onzekerheid over versterken kan, net als de moeizame schadeafhandeling, een gekmakende ervaring zijn. De stress die hiervan het gevolg is heeft wel degelijk invloed op de gezondheid van veel Groningers. Het middel van de versterking is nu vele malen erger dan de kwaal van onveilige huizen.

Als men iets wil doen voor de Groningers: reserveer dan meer geld voor de economische versterking van het gebied. Keer eenmalig een som geld uit op basis van simpele criteria zoals postcode en ouderdom van een huis, als compensatie voor overlast en waardedaling, en laat de mensen vrij hoe dat geld te besteden.

Laten we hopen dat een parlementaire enquête niet uitdraait op Siegerjustiz en ook dingen op tafel krijgt die tot nu toe nauwelijks de aandacht kregen: bij voorbeeld dat wetenschappers en onderzoekers in Nederland niet meer durfden bij te dragen tot het debat. Dat het grootste deel van de geclaimde schades in het buitengebied, waar trillingen door verkeer zwaarder zijn dan die door bevingen, niet of nauwelijks gerelateerd is aan bevingen. Waarom er in 2012, het jaar van de sterkste beving, zo’n 2000 schademeldingen binnen kwamen en in 2015 en 2016, jaren waarin de totale seismische energie een fractie was van die in 2012, zo’n 20000. Waarom sommige politici systematisch weigerden op een constructieve manier bij te dragen aan een oplossing.

Voor wie een voorproefje wil: de studie die ik schreef met Lucia van Geuns voor de denktank HCSS (The Hague Centre of Strategic Studies) over Groningen is recent verschenen. In “Groningen gas: the loss of a social license to operate” proberen wij zo goed mogelijk te reconstrueren wat er hier is gebeurd; uit geologisch, financieel én maatschappelijk oogpunt.

 

Posted in Geen categorie | Leave a comment