Energeia columns

Scenario’s voor de energietransitie

Energeia, 30-10-2019

Voorspellingen lopen het risico vast te zitten aan ons huidige wereldbeeld. In werkelijkheid zal onze kijk op de wereld, en de manier waarop wij met de wereld omgaan, diepgaand veranderen met de tijd. Veel dingen waarvan wij impliciet aannemen dat ze vanzelfsprekend zijn die zijn dat helemaal niet. Scenario’s zijn een manier zijn om ons te bevrijden van het keurslijf van ons wereldbeeld.

Alle grote olie- en gasbedrijven ontwikkelen scenario’s, veelal voor een termijn van 20 of 30 jaar. Het is geen toeval dat die termijn vergelijkbaar is met de levensduur van een olieveld wat men al of niet kam gaan ontwikkelen. Maar de Shell scenario’s hebben een zekere reputatie; zij begonnen hiermee als eerste en de scenario’s die Pierre Wack en zijn team rond 1970 produceerden over een mogelijke golf van nationalisaties en de oliecrises die daar op zouden kunnen volgen waren voor het bedrijf van grote waarde.

Een extrapolatie van bestaande ontwikkelingen in de jaren 60 leek totaal niet op wat er in de jaren 70 plaats vond in de oliewereld; een explosie van olieprijzen en het verlies van een groot deel van de assets door nationalisaties. Maar voor het meest waarschijnlijk geachte Shell scenario was dat wel het geval. Waarom zou een beperkt aantal olierijke landen doorgaan met het voor een minimale prijs verkopen van snel groeiende hoeveelheden olie die voor rijke landen essentieel waren en waarvoor geen alternatieve bron aanwezig was? Vroeger of later zouden ze daar mee ophouden.

Klimaatverandering.  Een grote disruptie zoals die in de jaren 70 is zeldzaam. De energietransitie waar we nu aan beginnen, gerelateerd aan de steeds duidelijker wordende klimaatverandering, is de eerstvolgende.

De in 2008 gepubliceerde Scramble en Blueprint scenario’s van Shell, hoe verschillend ook, hadden met elkaar gemeen dat een voortzetting van de business as usual case (steeds meer uitstoot van broeikasgassen door de verbranding van fossiele brandstoffen) als niet realistisch werd gezien. Ooit moest er een ontwikkeling komen zoals die nu plaatsvindt na het verdrag van Parijs; de vraag was niet of maar wanneer. De huidige wereldwijde toename van elektrische auto’s komt vrijwel exact overeen met die in deze scenario’s.

Scenario’s kunnen ontaarden in een grabbelton van allerlei ideeën. Zinvoller is het als zij een beperkt aantal centrale thema’s definiëren. Scramble stelde zich een wereld voor waarbij nationale belangen de overhand houden; Blueprint een wereld waarin samenwerking tussen landen werkelijk van de grond komt. Voor het eerst werd ook de hoop uitgesproken dat een bepaald scenario, in dit geval Blueprint, zou prevaleren.

Het klopt dat Shell toen niet gelijk is begonnen met grootschalige investeringen in electricity retail of offshore wind. Voorlopen op de maatschappij valt voor een groot privaat bedrijf buiten de beleidsrealiteit. Achterlopen net zo goed. Maar dat een bedrijf als Shell het sinds ongeveer 10 jaar rustig aan doet met investeringen in het zoeken naar nieuwe velden is een anticiperen op een naderende, en relatief snelle, energietransitie. ExxonMobil ging (en gaat) uit van een langzamer energietransitie en kende deze terughoudendheid in de investeringen in nieuwe velden niet.

Waarom doen overheden dit niet?  Zou de overheid ook niet dit soort lange termijn scenario’s moeten maken? Hoe waardevol het klimaatakkoord ook is; het is een roadmap die sterk leunt op wat er nu mogelijk is en waarin Nederland het centrum van de wereld lijkt. Geen oorlogsplan overleeft het contact met de vijand.

Hoe het energiesysteem van de toekomst er ook gaat uitzien, het lijkt me aannemelijk dat er een grootschalig internationaal transport van energiedragers zal zijn. Een land als Australië kan de huidige aardgasproductie vervangen door de productie van waterstof met renewables en die naar China of Japan exporteren. Een land als Noorwegen kan aansturen op een grootschalige opslag van CO2 in aquifers.

Het enthousiasme over de prijsdalingen van elektriciteit uit zon en wind maskeert soms dat we totaal niet op weg zijn richting 1,5 of 2 graden en dat de nationale toezeggingen van vele landen, volgend op het Parijse akkoord, weinig betekenisvol zijn. De Europese landen zijn hier de uitzondering. Het lijkt dan ook onvermijdelijk dat het klimaat de komende 30 jaar één of meerdere tipping points zal bereiken qua ijskappen of circulatiepatronen in atmosfeer of oceanen. De vraag is niet zozeer of, maar wanneer, en welke. Zal dit een nog sterkere backlash geven tegen olie- en gasbedrijven?

Accepteren mensen die deel uitmaken van een oude economie dat hun verdienmodel de nek om wordt gedraaid? Een grotere polarisatie, tussen mensen en tussen landen, is een reëel scenario. Hoe gaan we om met de landen die niet of nauwelijks meedoen met de strijd tegen klimaatverandering?

Het is zinvol dat wij gaan nadenken over mogelijke scenario’s – om beter voorbereid de toekomst in te gaan. Gaat geoengineering plaats vinden in internationaal verband of hakt een land als China zelf die knoop door? De wereld in 2050 zal er anders uitzien dan wij nu verwachten. Of zelfs ook maar voor kunnen stellen.

 

Wat men over Groningen niet hardop zegt

Energeia, 30-9-2019

Het seismische risico is op dit moment in Loppersum vergelijkbaar aan dat in Wenen, zo stelt minister Wiebes in een uitgelekte brief aan een aantal burgemeesters. Hij had ook Roermond als voorbeeld kunnen gebruiken. Of Brussels. Of Bern.

Dat zoiets verbazing wekt geeft aan hoezeer perceptie en werkelijkheid uit elkaar zijn komen te liggen als het om aardbevingen in Groningen gaat. Maar opmerkelijk is ook dat hij deze uitspraak niet in het openbaar doet. Had hij dit in het achterhoofd toen hij zich ooit “bevinkje” liet ontglippen?

De ruim 2000 schademeldingen in 2012, na Huizinge, betroffen voor een groot deel schade door die beving. Er was een duidelijke correlatie tussen de locaties van de schademeldingen en de locatie van deze beving, de grootste tot nu toe.

De ongeveer 40000 schademeldingen in 2015 en 2016, jaren waarin de vrijgekomen seismische energie een fractie was van die in 2012, hadden voor een groot deel weinig of niets met bevingen te maken. Hun locatie vertoonde geen enkele correlatie met de sterkste bevingen in die jaren – of met een eerdere, veel sterkere beving zoals Huizinge. Maximale grondbewegingen door bevingen waren op veel plaatsen kleiner dan die door andere oorzaken zoals verkeer of werkzaamheden.

Dat betekent niet dat deze meldingen geen schade betroffen. Het is alleen vaak schade gerelateerd aan slechte funderingen, onregelmatige zettingen en variaties in het grondwaterpeil. Aan dat laatste draagt de gaswinning zeker bij – al is het ook niet de enige component.

Aardbevingen zijn een overschatte oorzaak van schades in Groningen, variaties in het grondwaterpeil een onderschatte. Veel aardwetenschappers en ingenieurs die zich hiermee bezig houden zijn zich daar ook best van bewust maar passen er voor dit in te brengen in de publieke discussie – gezien de gespannen atmosfeer rondom deze problematiek. De minister is niet de enige die soms niet het achterste van de tong laat zien in dit dossier.

Voor de schadeafhandeling maakt dat, gezien de omkering van de bewijslast, niet uit. Bewijzen dat de gaswinning niet op zijn minst bijdraagt aan een schade is veelal onmogelijk. Dat mag dan op papier rechtvaardig lijken; in de praktijk heeft het geleid tot een uitermate moeizaam systeem waarin de juridische en een beste (maar zeer onzekere) schatting van de technische toerekenbaarheid vaak ver uit elkaar liggen. Geld wordt vooral besteed aan overheads, inspecties en het cosmetisch herstellen van scheuren. Een algemene uitkering zoals voorgesteld voor de waardedaling van huizen, gebaseerd op simpele parameters als postcode, lijkt voor alle partijen een betere oplossing.

Met het door de dalende gasproduktie snel afnemende seismische risico is een grootschalige versterkingsoperatie zinloos geworden. Het aantal huizen dat niet aan de veiligheidsnorm voldoet zal na het stoppen van de gaswinning in 2022 dicht bij nul liggen.

Als men binnen EZK communiceert dat het zo snel mogelijk stoppen met de gasproduktie in Groningen onvermijdelijk zal leiden tot een herijking van de versterkingsoperatie weet de goede verstaander wat er bedoeld wordt. Ook in Wenen of Roermond versterkt men niet. Met de huidige snel kleiner wordende risico’s doorgaan met zo’n versterkingsoperatie is eerder een verkrampte poging tot wiedergutmachung dan een zinvolle bijdrage aan het welzijn van de mensen in Groningen. Of willen we gaan versterken enkel en alleen omdat dat vroeger in de lijn der verwachtingen lag?

Wetenschappers én bestuurders zijn terughoudend geworden om te zeggen wat er werkelijk aan de hand is in Groningen – uit angst om tegen het zere been van sommige Groningers te schoppen en de publiciteit en electorale consequenties die dat met zich meebrengt. Als we draagvlak willen verkrijgen voor verstandig en rationeel beleid is het nodig dat perceptie en werkelijkheid dichter bij elkaar komen te liggen. Met het niet duidelijk communiceren over wat er in Groningen speelt is niemand gebaat.

Gaat dit ooit veranderen? Wie weet. Dat het vervangen van Groningen gas door Russisch gas en LNG (met een 25-30% hogere carbon footprint) een substantiële verhoging betekent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen door Nederlandse activiteiten is ondertussen iets dat men wél hardop durft te zeggen.

De Nederlandse versie van het rapport dat ik met Lucia van Geuns schreef over Groningen (Groningen gas: het verlies van een license to operate) voor de Haagse denktank HCSS kan men hier downloaden.

 

De Energietransitie als greep naar de macht

Energeia, 2-9-2019

Energie-Wende: Wachstum und Wohlstand ohne Erdöl und Uran. Het lukte me recent dit boek uit 1980 te bemachtigen. Het boek heeft geschiedenis geschreven: het introduceerde de term Energiewende. Het biedt een fascinerend beeld hoe alternatief Duitsland in die tijd tegen energie aankeek.

Het woord klimaatverandering komt in het boek niet voor. Ook aan milieuvervuiling werd nauwelijks aandacht besteed. De nadruk lag op zelfvoorzienendheid. Het energiesysteem waar men naar toe wilde was gebaseerd op een mix van kolen, zon/wind en biobrandstoffen. Zon en wind moesten niet door grote bedrijven geproduceerd worden maar door kleine, lokale, burgerinitiatieven. De afkeer van het kapitalisme loopt als een rode draad door het boek.

Centraal stond de strijd tegen nucleair. Kernenergie werd gezien als exponent van een kapitalistische technocratie waarin slechts plaats was voor grootschalige oplossingen. Daarnaast werd kernenergie gezien als gevaarlijk. Op de achtergrond speelde dat het bestaan van nucleaire wapens, en de reële mogelijkheid van een totale vernietigingsoorlog, door velen in die tijd gezien werd als het grootste probleem op aarde. De risico’s verbonden aan kernwapens straalden af op het vreedzame gebruik van kernenergie.

Op de tweede plaats kwam de strijd tegen olie. Olie stond voor twee dingen: multinationals (het meest onsympathieke gezicht van het kapitalisme) en Saoedi-Arabië. In de jaren 70 was de olieprijs gestegen van ongeveer 2 naar 40 dollar per vat; iets dat toen grote economische gevolgen had. Het afhankelijk worden van autocratische regeringen, die in snel tempo puissant rijk werden, maakte grote indruk.

Frappant is dat deze beweging er in slaagde in 30 jaar de hearts and minds van een meerderheid van de Duitsers te veroveren. In 2011 werd de uiteindelijke beslissing tot de Atomausstieg door de indertijd centrum rechtse regering van Angela Merkel genomen. De afkeer van kernenergie werd breed gedragen; van rechts tot links in het politieke spectrum. Het is het verlies aan maatschappelijke acceptatie dat leidde tot de Atomausstieg. Fukushima was slechts een welhaast welkome aanleiding.

Frappant is ook dat in die 30 jaar de Energiewende zich maar langzaam aanpaste aan de veranderende omstandigheden waarbij klimaatverandering het centrale probleem werd. Men bleef vasthouden aan een aantal specifieke kenmerken: de afkeer van nucleair, de tolerantie voor kolen en de voorkeur voor kleinschaligheid en lokale initiatieven.

De stelling dat niet vast staat dat de huidige opwarming van de aarde (vrijwel) geheel door menselijk ingrijpen komt is simpelweg onjuist. De stelling dat er, onder het mom van de energietransitie, ons soms ook een aantal andere politieke keuzes worden opgedrongen is echter zo gek nog niet.

Ik ben voor een energietransitie in engere zin waarbij het gaat om het eigenlijke probleem: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Daar moeten we eerder meer dan minder aan doen; voorlopig zijn we op weg naar een wereld die ongeveer 3 graden opwarmt. Om dit te voorkomen zullen we onze levensstijl fundamenteel moeten veranderen

Waar ik huiverig voor ben is de energietransitie als greep naar de macht en het aan boord van het energietransitieschip smokkelen van allerlei andere dingen (zoals dat in Duitsland gedaan is):

– het gaat niet om een irrationele hobby als een afkeer van kernenergie. Er kunnen heel goede redenen zijn om op korte termijn niet te veel in te zetten op kernenergie maar dat zijn vooral commerciële redenen.

– het gaat niet om een “rechtvaardiger samenleving” en het “failliet van het kapitalisme”. Dat er bij te betrekken leidt eerder tot een vermindering dan een vermeerdering van het draagvlak.

– het gaat niet om kleinschaligheid. Niks mis met kleinschaligheid maar ons gebruik aan energie is zo groot dat alleen grootschalige oplossingen echt zoden aan de dijk kunnen zetten.

– het gaat niet om duurzaamheid en de eindigheid van fossiele brandstoffen. Kolen kan nog vele eeuwen mee en de resterende reserves aan olie en gas zijn sinds 1980 alleen maar groter geworden (ondanks alle productie).

– het gaat niet om afhankelijkheid van landen als Rusland en Saoedi-Arabië. Een wijde verspreiding van reserves en technologische vooruitgang beperken hun macht.

Ik ben voor een breed scala van oplossingen: zon, wind, nucleair, CCS, etc. Wij kunnen het ons niet permitteren kieskeurig te zijn of veel energie te besteden aan het tegenwerken van andermans oplossingen.

Wij moeten van broeikasgas los. Dat kan betekenen: wij moeten van aardgas los. Dat hoeft niet (altijd). Blauwe waterstof is voor het klimaat net zo acceptabel als groene waterstof. Vooralsnog veel meer haalbaar en commercieel veel aantrekkelijker.

 

 

Investeerders in schalieolie begeven zich naar de uitgang

Energeia, 29-7-2019

In de Nederlandse media leest men meer over zon en wind dan over olie en gas. En in zekere zin is dat begrijpelijk: olie en gas mogen dan het heden hebben, maar zon en wind hebben de toekomst. Toch? Al die aandacht heeft ertoe geleid dat men er in Nederland soms voetstoots van uitgaat dat technologische vooruitgang en kostendalingen zijn voorbehouden aan de wereld van zon en wind. Dat is niet zo.

De afgelopen tien jaar steeg het aandeel “nieuw duurzaam” (zon en wind) in de wereldwijde primaire energievoorziening van 0 naar ruim 2 procent. In diezelfde tijd steeg het aandeel “nieuw fossiel” (schalieolie en -gas) van 0 naar ongeveer 6 procent. Schalieolie uit de VS zorgde ervoor dat de olieprijzen de laatste 5 jaar rond de 60 dollar per vat lagen en niet rond de 120 dollar, zoals in de 5 jaar daarvoor.

Hoe lang kan schalieolie nog snel doorgroeien?

De olie-industrie heeft over schalieolie altijd gemengde gevoelens gehad. Aan de ene kant is er het respect voor de grote technische prestatie die hier geleverd is; decennia lang werd dit voor onmogelijk gehouden. En is er de trots in de VS dat men met de snel stijgende productie op het punt staat een netto exporteur van olie te worden en niet meer afhankelijk is van een land als Saoedi-Arabië. Energy independence!

Daartegenover staat een unheimisch gevoel: hoe lang kan dit nog goed blijven gaan? Wanneer krijgt de zwaartekracht vat op de als een raket stijgende productie van schalieolie in de VS? Tenslotte is deze industrie als geheel al 10 jaar lang verliesgevend.

Bij de managers van schalieoliebedrijven leek lange tijd het eerste gevoel te overheersen: tot nu toe is alles goed gegaan en verdere technologische vooruitgang zal ons redden. Onderschat nooit de menselijke inventiviteit!

Maar bij de geologen en ingenieurs in het veld komt al geruime tijd vooral het tweede gevoel naar voren bij de AAPG (the American Association of Petroleum Geologists) of de SPE (the Society of Petroleum Engineers). We produceren steeds meer water en gas met de schalieolie mee en die trend zal zich onherroepelijk verder voortzetten. Nieuwe putten in de best producerende gebieden worden op steeds kleiner afstand van bestaande putten geboord, het vermindert de productie met 20 tot 40%, en die trend zal zich onherroepelijk verder voortzetten. Waarom negeert de financiële wereld onze waarschuwingen?

Het sentiment rond schalieolie verslechtert

Dit jaar lijkt de financiële wereld wel met andere ogen tegen schalieolie te gaan aankijken. Het sentiment rond schalieolie is merkbaar verslechterd. De slechte koersontwikkeling van schalieoliebedrijven, niet alleen ten opzichte van de S&P 500 maar met name ook ten opzichte van conventionele oliebedrijven als Shell, springt steeds meer in het oog. Ook onder de grotere schalieolieproducenten was een halvering van de aandeelprijs de laatste 12 maanden niet ongewoon.

De financiering, vooral door middel van high yield obligaties, droogt langzaam op. Verwacht wordt dat die in 2019 de helft zal bedragen van die in voorafgaande jaren. Let wel: wat er in de laatste 12 maanden geboord is bepaalt voor een groot deel wat men op dit moment produceert; de productie in het eerste jaar van een put kan 50 tot 70% van de totale productie bedragen.

Service companies zoals Schlumberger waarschuwen dat er nu minder vraag is naar hun diensten in schalieolie. Bedrijven als Caterpillar waarschuwen dat er minder zware machines verkocht worden in het schalieolie segment.

De groei van de schalieolie productie is de laatste maanden tot stilstand gekomen. Hervat de productiestijging zich nu weer snel of begint de productie werkelijk een plateau te bereiken?

Hoe betrouwbaar zijn de cijfers?

Deze week presenteerde Kayross, een bedrijf gespecialiseerd in de analyse van data betreffende energie, de resultaten van een analyse met satellietdata van producerende putten in de Permian. Zij stellen dat hier alleen in 2018 meer dan 1100 van de dat jaar geboorde putten, ongeveer 20% van het totaal, niet gerapporteerd zijn in de officiële databases. Het betreft hier naar verluid vooral niet of slecht producerende putten van niet beurs genoteerde bedrijven.

Als deze analyse correct is zijn de implicaties groot. Het impliceert dat de werkelijke gemiddelde productie per put lager is dan tot nu toe aangenomen (de door de EIA gerapporteerde productie klopt; wat onderschat wordt is het aantal putten waarmee deze productie bereikt wordt). De gemiddelde kosten per geproduceerde barrel zijn hoger dan geschat. Totale kosten voor producenten zijn onderschat met ongeveer 4 miljard dollar.

Binnen de industrie zijn de reacties tweeledig: Aan de ene kant: ongeloof; dit kan toch niet waar zijn. Aan de andere kant: dit is een serieus bedrijf met analisten met een grote reputatie (waaronder een voormalig president van Schlumberger Business Consulting en een voormalig chief oil analyst van de IEA). In een non-executive rol zijn zwaargewichten als Andrew Gould (ex BG) en Lord Brown (ex BP) bij dit bedrijf betrokken; zij verbinden zich niet aan een bedrijf dat onzinverhalen verkoopt.

Dit alles zou een verklaring kunnen zijn waarom de officiële cijfers van de EIA lange tijd nog steeds een lichte stijging van de productiviteit per put lieten zien terwijl veel signalen uit het veld erop wijzen dat er een plateau is bereikt of zelfs een lichte daling is ingezet. Het zou er ook op kunnen duiden dat de gerapporteerde raadselachtige grote stijging van de DUC’s (drilled and uncompleted wells) in werkelijkheid niet, of slechts in beperkte mate, heeft plaats gevonden. Waarom zou een industrie met cash flow problemen een groot aantal half klare producten (putten die wel geboord maar nog niet gefrackt zijn) lange tijd op de plank laten liggen?

Investeerders begeven zich naar de uitgang

Investeerders begeven zich nu naar de uitgang. Wordt dat een zich ordelijk terugtrekken en een gestaag doordruppelen van faillissementen van de zwakke broeders onder de schalieolieproducenten, zoals dat al enige jaren aan de gang is? Of raakt men in paniek en wordt het rennen naar de uitgang? In dat laatste geval: riemen vast!

Shale versus Shell

Wie zwicht er het eerst?

Energeia, 26-6-2019

Shale

De producenten van schalieolie in de VS bevinden zich financieel in zwaar weer. Winst is er tot nu toe, voor deze industrie als geheel, niet gemaakt. Er is veel geld geleend en de financieringslasten lopen langzaam op. Voor een hogere rente zijn deze bedrijven net zo benauwd als voor lagere olieprijzen. De animo onder investeerders om meer geld in deze industrie te pompen neemt langzaam maar zeker af.

Er vindt hier dan ook een consolidatieslag plaats. Het grootste wapenfeit tot nu toe was de overname van Anadarko door Occidental voor 56 miljard dollar. Nu het grootste deel van de technische vooruitgang bij de winning van schalieolie achter de rug ligt, lijkt de beste mogelijkheid om de kosten verder omlaag te brengen het verkrijgen van zo groot mogelijke aaneengesloten licenties die het beste startpunt vormen voor de fabrieksmatige aanpak bij het produceren van schalieolie. Daarnaast kan het opereren van de gehele keten (productie, pijpleidingen én raffinaderijen) extra waarde opleveren.

De majors zoals Shell en BP hebben geen technische voorsprong op de niche schalieolie producenten; sommige van hen hebben dat in het verleden op pijnlijke wijze ondervonden. Maar zij hebben wel de financiële slagkracht om de grote investeringen te doen die in deze consolidatiefase nodig zijn om de kosten verder omlaag te brengen. Zij moeten hun nieuwe olie ergens vandaan halen en het effect van de relatief lage investeringen in conventionele olie van de laatste 5 jaar is niet zomaar ongedaan gemaakt.

Shell

Shell heeft het de afgelopen jaren financieel goed gedaan. De cash flow van Shell is nu de hoogste van de majors; hoger dan die van grote concurrent ExxonMobil. Met name downstream en integrated gas deden het goed de afgelopen jaren. Wat lijkt 2016, toen er twijfels waren over de houdbaarheid van het dividend, al weer lang geleden.

Er is echter ook een keerzijde van de medaille. De relatief hoge cash flow was ook gerelateerd aan de relatief lage investeringen in nieuwe olieproductie. Olie is een segment dat binnen Shell niet onder het kopje groei valt maar onder het kopje cash cow. Tesamen met de matige resultaten in exploratie (het zoeken naar nieuwe velden) zorgde dat voor dalende oliereserves. De verhouding tussen bewezen oliereserves en jaarlijke productie is nu gedaald tot een historisch laag niveau van 6.

Ter vergelijking: voor ExxonMobil ligt deze verhouding op 14. Het gemiddelde voor de majors ligt rond de 10. Daarmee lijkt Shell voor te sorteren op een snelle energietransitie (maar wel een waarbij gas een belangrijke rol speelt als fossiele transitie brandstof) en lijkt ExxonMobil voor te sorteren op een langzame energietransitie.

Wie zwicht er het eerst?

Maar wat als die snelle energietransitie er niet komt? Want laten we wel zijn: de energietransitie was er tot nu toe een van ambities; niet van resultaten. Wereldwijd stijgt de olievraag steeds verder door. De bij de recente strategy update aangekondigde investeringsplannen van Shell illustreerden nog eens hoe groot voorlopig de investeringen aan de fossiele kant zijn en hoe klein de investeringen in New Energies, alle ambities ten spijt.

De recente gesprekken met Endeavor, een van de grotere overname kandidaten onder de schalieolie bedrijven in de VS, liepen voorlopig op niets uit. Toch lijkt het voor Shell geen optie te zijn om de relatief geringe activiteiten in schalieolie niet te gaan uitbreiden. Het heeft niet de luxe van Total, de enige van de majors die schalieolie vrijwel geheel links laat liggen, met bewezen oliereserves van ruim 10 keer de jaarlijkse productie.

Daarmee lijken zowel de schalieolie producenten in de VS als Shell voorlopig een afwachtende houding aan te nemen. De schalieolie producenten wachten tot een dalende olieproductie Shell echt pijn begint te doen. En Shell wacht erop totdat de financiële situatie van mogelijke VS schalieolie overname kandidaten dermate nijpend begint te worden dat hun prijs gaat zakken. Bij de huidige vraagprijs klopt het financiële plaatje niet voor Shell. Shale versus Shell: wie zwicht er het eerst?

 

Laat goedkoop gas kolen eruit werken

Energeia, 28-5-2019

De afgelopen jaren was er veel kritiek op het klimaatbeleid van president Trump. Dat was terecht. Het opzeggen van het klimaatverdrag van Parijs of het terugdraaien van maatregelen om methaanemissies tegen te gaan zijn niet te verdedigen.

Dat desondanks de uitstoot van broeikasgassen zich de laatste 5 jaar in de VS beter ontwikkelde dan in de EU geeft stof tot nadenken. De reden is vooral dat gas, met een veel lagere CO2 uitstoot, hier kolen in een relatief snel tempo verdreef. Niet dankzij maar ondanks het beleid van Trump.

Goedkoop schaliegas concurreert kolen geleidelijk aan weg in de VS. Dat gas is blijvend goedkoop. De hoeveelheid schaliegas in de VS is praktisch onuitputtelijk en de kosten om het uit de grond te halen worden alleen maar lager.

Kan zoiets zich in de EU herhalen? Schaliegas wordt het niet hier en dat ligt niet alleen aan het verzet van NGO’s maar ook aan geologie, kosten niveaus en de grote footprint van de winning van schaliegas die in dichtbevolkt West Europa moeilijk voorstelbaar is.

Maar voor goedkoop gas is schaliegas helemaal niet nodig. Op de meeste plekken in de wereld is conventioneel gas veel goedkoper dan schaliegas om te produceren. Dat gas wordt steeds meer als LNG (vloeibaar gas) de wereld rond gevaren en wordt steeds vaker op spot markets verhandeld in plaats van via lang lopende contracten. Ook hier dalen de kosten.

De afgelopen jaren kwam er steeds meer LNG op de markt. Het afgelopen half jaar daalden de gasprijzen op de spot markets in de EU en Azië met zo’n 40%. De vraag in Azië groeit snel maar kan het toenemende aanbod nu niet meer bijbenen. Afgelopen winter werden er steeds meer LNG tankers die normaal naar Azië zouden gaan richting Europa gestuurd. Europa werd daarmee de swing consumer voor gas. De gasprijzen zijn hier nu weer op het niveau waarop gas kolen verdringt, puur om commerciële redenen.

Ondertussen komen er nieuwe Russische pijpleiding projecten aan: Nordstream2 en Turkstream naar Europa en de Power of Siberia naar China. Goedkoop gas om deze pijpleidingen te kunnen vullen hebben de Russen meer dan genoeg; zij hebben de grootste gasreserves ter wereld. Europa zou wel eens het slagveld kunnen worden waar Russisch gas het uitvecht met een aanvoer van LNG vanuit allerlei plekken op de wereld.

Nordstream2, dat nu gebouwd wordt op kosten van Gazprom, is voor de EU zo gek nog niet. Afhankelijkheid van Russisch gas is geen probleem als je een alternatief hebt. En dat hebben we met LNG; meer dan vroeger.

Lage kosten voor gas kunnen in Europa, net als in de VS, kolen eruit werken. Laten we dat niet onnodig moeilijk maken door bij voorbeeld iets als Nordstream2 te gaan tegenwerken. Puur op basis van de markt kan onze elektriciteitsproduktie nu snel verder convergeren naar een mix van renewables en gas. Met wat kerncentrales die we zo lang mogelijk door laten draaien. Met een snelle groei van renewables die wel hun backup, in de vorm van gas, nodig hebben. Niet de perfecte oplossing op de lange termijn maar wel een goede op de korte en middellange termijn.

Ons energiebeleid hoeft niet alleen gebaseerd te worden op fraaie vergezichten voor 2050. Laat de dominee met zijn klimaatbijbel in de hand nu profiteren van de mogelijkheden die de gaskoopman op de markt hem biedt. Zijn liefde voor het klimaat heeft toch wel de overhand op zijn antipathie tegen olie- en gasproducenten?

 

De foute keuzes van Greenpeace

Energeia, 29-4-2019

Shell had in de jaren 70 van de vorige eeuw een joint venture met Gulf (het huidige Chevron): General Atomic. Ze ontwikkelden een nieuw type nucleaire reactor. Men tekende de eerste contracten om ze ook te gaan bouwen.

Toen begin jaren 80 kernenergie niet unstoppable bleek blies men de hele zaak weer af. De olie- en gasindustrie heeft veel profijt gehad van het verbeten verzet van NGO’s tegen kernenergie. Het klimaat niet.

In sommige landen zette men door. In Frankrijk is de mix van kernenergie en waterkracht nog steeds een gelukkige combinatie. Kernenergie zorgt voor de basislast; waterkracht wordt gebruikt om de pieken op te vangen. Het zorgt ervoor dat Frankrijk al lange tijd een bijzonder lage CO2 uitstoot per eenheid opgewekte elektriciteit heeft.

Kernenergie is een veilige vorm van elektriciteitsproductie: per eenheid energie ligt het aantal doden ordes van grootte lager dan dat bij fossiele brandstoffen. En dan hebben we het nog niet gehad over de gevolgen van klimaatverandering.

In veel landen bleef kernenergie steken op een beperkte rol aan de zijlijn van het energiesysteem. Dat had anders gekund. De geschiedenis had een andere afslag kunnen nemen. Een afslag waarin deze industrie zich was blijven ontwikkelen en nu tegen steeds lagere kosten grote aantallen kerncentrales had gebouwd met een meer gestandaardiseerd ontwerp.

Het heeft geen zin om te mijmeren over wat had kunnen zijn. Kernenergie is voorlopig geen reële optie in Nederland. Het werkelijke probleem is niet zozeer een gebrek aan draagkracht maar het simpele feit dat kernenergie hier niet meer commercieel aantrekkelijk is.

De paar kerncentrales die nu nog in Europa gebouwd worden zijn dure one off adventures die ook nog eens ver over budget gaan. Deze industrietak, het bouwen van nieuwe kerncentrales, weer helemaal op te bouwen vergt grote en langdurige steun. Dat valt – in goed hedendaags Nederlands – buiten de beleidsrealiteit.

Het heeft wel zin om te reflecteren over de rol van NGO’s. Zij kunnen een heel goede rol vervullen in het bewustmaken van issues als klimaatverandering – iets dat wij veel te lang hebben genegeerd. Hun invloed in Nederland is groot. Waren het vroeger de persberichten van grote bedrijven die in min of meer onveranderde vorm in sommige media verschenen; nu zijn het die van NGO’s.

Jammer genoeg is hun beoordelingsvermogen om de juiste oplossingen te kiezen kleiner dan hun vermogen om dingen op de agenda te krijgen of om het draagvlak te ondermijnen van de oplossingen die hen niet bevallen.

In vrijwel alle scenario’s waar de opwarming tot ruim beneden de twee graden beperkt wordt speelt CCS (ondergrondse opslag van CO2) een substantiële rol. Onder serieuze wetenschappers die zich hiermee bezighouden is er een zeer ruime meerderheid die vindt dat dit op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is.

Twijfel zaaien over de veiligheid van CCS, zoals NGO’s veelal doen, is equivalent aan twijfel zaaien over de menselijke oorzaken van klimaatsverandering. Het kan onwetendheid zijn maar veeleer lijkt het een poging de eigen keuzes op het gebied van de energietransitie er door te drukken. Het is een kieskeurigheid die we ons niet meer kunnen permitteren.

 

De groeiende rol van private equity op de Noordzee

Energeia, 1-4-2019

Shell, BP en ExxonMobil trekken zich geleidelijk aan terug uit de olie- en gasproductie op de Noordzee. Stijgende kosten voor oudere velden en een beperkte scope voor het vinden van nieuwe velden betekenen dat een gebied als de Noordzee (Noorwegen niet mee gerekend) niet meer goed scoort in een wereldwijde ranking van hun portfolio’s. Het uitmelken van oudere assets tegen minimale kosten is niet de specialiteit van de majors. Het klimaat voor olie- en gasproducenten in West Europa, voorloper op het gebied van de energietransitie, is sowieso niet goed.

De meer succesvolle exploranten in het zoeken naar nieuwe velden op de Noordzee waren de laatste 2 decennia kleinere bedrijven zoals Lundin in Noorwegen of Nexen in het Verenigd Koninkrijk. Geologen die al 10 of 20 jaar niets anders doen dan zich bezig houden met de Jurassic of de Chalk in de Noordzee vind je niet gauw meer bij de majors. Eerder bij deze kleinere niche bedrijven.

Behalve de majors is er nog een andere groep bedrijven die zich hier terugtrekken: utilities zoals Engie, RWE, Bayerngas, Nuon en hoe zij ook mogen heten. Ooit besloten zij dat het zin had om een gedeelte van het gas dat zij in Europa verkochten ook zelf te gaan produceren. Net zo massaal als zij er ooit instapten zijn ze er de afgelopen jaren, met het oog op de komende energietransitie in Europa, weer uitgestapt – soms na een substantiële financiële afschrijving.

Wie stappen er in dit gat? Wintershall is een relatief succesvolle producent met een blijvende focus op de Noordzee. Equinor blijft trouw aan Noorwegen. Er is één van de majors die zich niet terug trekt uit de Noordzee: Total. Zij exploreren actief in de 2 gebieden in het Verenigd Koninkrijk met het meeste resterende potentieel: West of Shetland en de HPHT (high pressure, high temperature) play in de Central Graben.

Toen de Maersk groep in 2017 besloot hun olie en gas dochter te verkopen was Total de koper. Hun Deense offshore olieproductie uit de Chalk (kalksteen) van ruim 100,000 vaten per dag is nog steeds substantieel. De Deense kennis op het gebied van Chalk is voor Total in het Midden Oosten van grote waarde. Hoe het de Denen zal bevallen onder een Frans regime is een ander verhaal…

Maar de meest interessante ontwikkeling is wel de snel groter wordende rol van private equity in de Noordzee. Chrysaor werd met de overname in 2017 voor 3,8 miljard dollar van een pakket assets van Shell een van de grotere spelers op de Noordzee. Neptune nam voor 4,7 miljard euro in 2018 de assets van Engie over. Het is nu de grootste offshore operator in Nederland. De private equity bedrijven die hen financieren (EIG voor Chrysaor, Carlyle en CVC voor Neptune) zijn veel minder bekend.

Ook in exploratie spelen zij een steeds grotere rol. Siccar Point Energy (financiers: Blackstone en BWE) heeft de laatste jaren een uitermate interessante portfolio van prospects in het West of Shetland gebied opgebouwd. De combinatie van financiers met diepe zakken, een vermogen om snel te beslissen en de lage olieprijs maakte dat mogelijk. Voor een eventuele ontwikkeling van nieuwe velden hebben zij nu een kapitaalkrachtige non-operating partner opgelijnd: Shell.

Private equity kan een aantrekkelijke financier zijn voor een olie- of gasproducent in de Noordzee. Het mag dan een veeleisende financier zijn, het is ook een ter zake kundige financier die bereid is om countercyclisch te investeren, voor langere tijd. Dat kan beter bevallen dan een beursnotering waar men elk kwartaal opnieuw examen af moet leggen of het omgaan met stakeholders zoals banken en pensioenfondsen die, in hun ijver bij te dragen tot (hun imago van) duurzaamheid, qua investeren in olie en gas steeds meer de rol van krabbende ankers lijken te gaan vervullen.

Hoe zal het private equity in Noordzee olie en gas vergaan? Het laag houden van de prijs bij het overnemen van bestaande assets lukte goed de afgelopen jaren. Vaak slaagde men er in te bedingen dat de verkoper voor een deel verantwoordelijk blijft voor latere abandonment kosten. Het bij elkaar brengen van een kundig management en technisch team dat deze assets efficiënt kan runnen lukt ook best. De vraag is nu: lukt het ooit om deze assets weer door te verkopen tegen een aantrekkelijke prijs?

Bij private equity zal de ambitie er vaak zijn om er na 5 of 10 jaar weer uit te stappen. Focust men tot die tijd op uitmelken of is men bereid te investeren om de productie op peil te houden? Of het een directe verkoop of een beursgang wordt: qua timing mikt men hier op een volgende cyclus van hoge olieprijzen ergens tussen 2020 en 2025. Of die er ook komt is een ander verhaal…

Zinloos versterken in Groningen

Energeia, 12-3-2019

Met het besluit om de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk te stoppen verdween ook de rationale voor een uitgebreid versterkingsprogramma in Groningen. Het betekent dat naar schatting 80% van de seismiciteit nu achter de rug is. Voor slechts 1500 huizen wordt ingeschat dat zij op dit moment niet aan de Meijdam norm voldoen.

Het is dezelfde norm die gehanteerd wordt bij het risico van overstroming in laaggelegen gebieden in Nederland. Ook daar zijn er huizen die niet aan de norm voldoen. In tegenstelling tot Groningen ligt geen mens er wakker van. Het is de risicoperceptie die bepaalt of men wakker ligt; niet het risico zelf.

Modellen hebben, onvermijdelijk, een bepaalde onzekerheid. Wil men die omlaag brengen dan moet men ter plekke inspecteren en een meer gedetailleerde risicoanalyse opstellen; voor elk huis waarvoor er enige kans bestaat dat het niet aan de norm voldoet (en dat zijn er eerder zo’n 15000 dan 1500). Dat is een gigantische klus die veel tijd vergt.

Ondertussen daalt het seismische risico snel. Voor slechts 200 huizen wordt nu ingeschat dat zij in 2023 niet aan de Meijdam norm zullen voldoen. Tegen die tijd zijn we misschien net klaar met inspecteren. In 2025 zal het aantal dicht bij 0 liggen.

Vrijwel iedereen die zich bezighoudt met de technische aspecten van dit dossier is hiervan op de hoogte. Als men minister Wiebes al iets kan verwijten is het dat hij de Groningers niet duidelijker zegt dat versterken zinloos is geworden. Of willen de Groningers dat niet horen? Wil men gaan versterken enkel en alleen omdat dat in het verleden in de lijn der verwachtingen lag, in een tijd dat men er vanuit ging dat de gaswinning hier nog decennia lang door zou gaan?

In Groningen voltrekt zich een ramp hoort men nu veelal. Is dat zo? Er is geen Groninger dood gegaan door een ingestort huis. Er is geen Groninger gewond geraakt door een vallende dakpan. De kans dat dat gaat gebeuren is uitermate klein.

Wat rampzalig is, is de manier waarop wij met dit probleem omgaan. De voortdurende onzekerheid over versterken kan, net als de moeizame schadeafhandeling, een gekmakende ervaring zijn. De stress die hiervan het gevolg is heeft wel degelijk invloed op de gezondheid van veel Groningers. Het middel van de versterking is nu vele malen erger dan de kwaal van onveilige huizen.

Als men iets wil doen voor de Groningers: reserveer dan meer geld voor de economische versterking van het gebied. Keer eenmalig een som geld uit op basis van simpele criteria zoals postcode en ouderdom van een huis, als compensatie voor overlast en waardedaling, en laat de mensen vrij hoe dat geld te besteden.

Laten we hopen dat een parlementaire enquête niet uitdraait op Siegerjustiz en ook dingen op tafel krijgt die tot nu toe nauwelijks de aandacht kregen: bij voorbeeld dat wetenschappers en onderzoekers in Nederland niet meer durfden bij te dragen tot het debat. Dat het grootste deel van de geclaimde schades in het buitengebied, waar trillingen door verkeer zwaarder zijn dan die door bevingen, niet of nauwelijks gerelateerd is aan bevingen. Waarom er in 2012, het jaar van de sterkste beving, zo’n 2000 schademeldingen binnen kwamen en in 2015 en 2016, jaren waarin de totale seismische energie een fractie was van die in 2012, zo’n 20000. Waarom sommige politici systematisch weigerden op een constructieve manier bij te dragen aan een oplossing.

Voor wie een voorproefje wil: de studie die ik schreef met Lucia van Geuns voor de denktank HCSS (The Hague Centre of Strategic Studies) over Groningen is recent verschenen. In “Groningen gas: the loss of a social license to operate” proberen wij zo goed mogelijk te reconstrueren wat er hier is gebeurd; uit geologisch, financieel én maatschappelijk oogpunt.

 

Hoe haalbaar is 2 graden?

Energeia, 23-1-2019

De samenleving confronteert oliebedrijven met een eigenaardig dilemma. De maatschappij stelt ze verantwoordelijk voor klimaatverandering maar blijft ondertussen hun product onverminderd consumeren.

Als deze bedrijven, om een beter begrip te krijgen van mogelijke toekomstige ontwikkelingen, lange termijn scenario’s uitwerken komen ze veelal uit bij twee uitersten. In het ene uiterste (voor de Equinor, het vroegere Statoil, scenario’s: “Renewal”) komt er daadwerkelijk een adequate wereldwijde samenwerking tot stand om klimaatverandering tegen te gaan die, geholpen door technologische vooruitgang, de opwarming tot 2 graden weet te beperken.

Voor het andere uiterste (voor de Equinor scenario’s: “Rivalry”) blijven nationale korte termijn belangen de overhand houden en koerst men af op 3 graden of meer. De strijd om de macht is in dit scenario belangrijker dan de strijd tegen klimaatverandering. Als men het in dit scenario bij 2 graden weet te houden komt dat door aan de geo-engineering noodrem te trekken. Solar radiation management is een relatief goedkope en technisch makkelijk haalbare manier om de temperatuur van de aarde te verlagen.

Kan men het de oliebedrijven – en instanties als de IEA – verwijten dat zij geen 1,5 graad scenario hebben? Misschien zullen zij er, in het kader van politieke correctheid, wel wat gaan maken. In werkelijkheid gelooft geen mens erin. 2 graden is al moeilijk genoeg.

Is 2 graden ook kansloos?

In de 25 jaar dat klimaatverandering nu op de politieke agenda staat is het gehalte aan CO2 in de atmosfeer gestegen van 350 tot ruim 400 parts per million (ppm). Voor een volgende stijging van 50 ppm zullen we geen 25 jaar meer nodig hebben. De afspraken die in Parijs gemaakt zijn leiden ons in de richting van ruim 3 graden en zijn vrijblijvend.

De afgelopen 10 jaar steeg in China de capaciteit van kolencentrales tot een duizelingwekkende hoogte. Die groei stopt nu maar in de rest van Azië en Afrika blijft China gewoon kolencentrales financieren en bouwen. Het draagt er toe bij dat de wereldwijde uitstoot van CO2 zo hardnekkig blijft toenemen.

Er is vrijwel geen regering ter wereld die het zich kan permitteren om fossiele energie zo duur te maken als nodig is om de afslag richting 2 graden in te slaan. Bevolkingen pikken het simpelweg niet. De talloze free riders (niet alleen Rusland en het Midden Oosten maar ook, zij het in mindere mate, de VS en China) willen het niet eens proberen en ondermijnen de pogingen in Europa om het wel te doen.

China’s CO2 uitstoot, per hoofd van de bevolking, is nu gelijk aan die van de EU. China’s CO2 uitstoot mag, volgens het akkoord van Parijs, nog tot 2030 doorgroeien. 2030 is ook het jaar dat Nederland een 49% CO2 reductiedoel moet gaan halen. De Chinese onderhandelaars aan de wereldwijde klimaattafels hebben het spel hard gespeeld. Maar een dergelijk verschil valt niet goed uit te leggen aan de Nederlandse burger.

Of heeft 2 graden een kans?

In Duitsland mag de Energiewende dan nog niet geleid hebben tot een noemenswaardige teruggang van emissies (zon en wind vervingen nucleair), toch is het een succes. De Energiewende leidde tot een snelle stijging van de opwekking van elektriciteit uit zon en wind die in hoge mate bijdroeg aan de grote kostendalingen ervan.

In deze vroege fase van een energietransitie gaat het er niet om de uitstoot van CO2 zo snel mogelijk te reduceren. Het gaat nu om het vinden, perfectioneren en goedkoper maken van technieken die wereldwijd gaan helpen bij het tegengaan van klimaatverandering. Onze track record in het tegengaan van emissies mag dan ronduit slecht zijn; onze track record in menselijke inventiviteit en het vinden van technische oplossingen is heel goed.

Samen met een toenemende bewustwording van klimaatverandering en een grotere bereidheid tot actie zijn het positieve ontwikkelingen. Die bewustwording en bereidheid tot actie zal verder toenemen als de gevolgen van klimaatverandering duidelijker en pijnlijker worden.

Smart follower of first mover?

Niemand weet welk lange termijn scenario er voor ons in het verschiet ligt, Rivalry of Renewal. Nederland is te klein om hier invloed op te kunnen uitoefenen; het zal ons overkomen. Wij mogen dan hopen op Renewal; wij moeten er óók rekening mee houden dat het Rivalry wordt. Dat, en de noodzaak om draagvlak te behouden en de pijn voor burgers te begrenzen, beperkt onze opties.

Want die pijn komt er. De energietransitie brengt ook een verandering in onze manier van leven met zich mee: minder vliegen en minder vlees eten. Te stellen dat de energietransitie niet meer gaat kosten dan 0,5% van ons bruto binnenlands product lijkt me wel erg kort door de bocht. Burgers die geconfronteerd worden met nu snel stijgende kosten voor energie en met een substantiële toekomstige uitgave voor bv een warmtepomp ervaren dat in ieder geval anders. Zijn de totale kosten van het snel ombouwen van ons hele energiesysteem niet simpelweg erg onzeker? De energietransitie is geen sprint maar een marathon met een onzeker parcours.

Voordat de Energiewende van start ging zei de Duitse minister Jürgen Trittin dat de kosten voor de Duitse burger misschien een euro per maand zouden zijn. Duitse consumenten betalen nu jaarlijks 25 miljard euro extra voor elektriciteit ten gevolge van de Energiewende. Het is de prijs die zij betalen voor het voorloper zijn; een prijs die over een lange periode wordt uitgesmeerd.

Met de nu sterk gedaalde prijzen van zon en wind profiteert ons land daarvan. Laten we dat niet vergeten als mensen voor Nederland de rol van voorloper op klimaatbeleid ambiëren en ons proberen te overtuigen van de grote economische kansen die daar liggen. Het kan soms beter uitpakken een smart follower te zijn dan een ambitious first mover. Tenzij het klimaat boven alles gaat natuurlijk.

 

Fossiel

19-12-2018

Mijn overgrootvader had een kolenhandel op Monster. Mijn grootvader werkte op een elektriciteitscentrale. Kolengestookt, dat wel. Mijn vader werkte in de raffinaderijen en chemie van Pernis.

Het mooie was dat het voor mijn ouders, toch niet afkomstig uit een universitair milieu, nooit ter discussie stond dat ik kon gaan studeren. Ik studeerde natuurkunde en promoveerde, na 4 jaar als universitair docent gewerkt te hebben, als geofysicus. Daarna ging ik naar Shell. Mijn kind, mijn kind, verzuchtte mijn moeder. Wat ben ik blij dat je nu eindelijk een échte baan hebt.

Ik heb dus iets met fossiel. Het valt voor buitenstaanders misschien moeilijk te bevatten maar weinig dingen zijn zo uitdagend als het proberen te vinden van een nieuw olieveld. Waar ga je boren? Weinig dingen zo mooi als iets groots te vinden wat zelfs de toekomst van een land kan veranderen. Weinig dingen zo erg als de sinking feeling wanneer je niets vindt, er tientallen miljoenen voor je ogen verdampt, omdat er niets maar dan ook niets gebeurt op een stomme resistivity log die je realtime ziet binnenkomen. En dan heb ik het nog niet gehad over de post mortem sessie met management.

Waarom ik u dit alles vertel? In plaats van iets uit te leggen, of inzicht te verschaffen, wil ik u graag ergens van overtuigen. Die klimaatverandering? Die is er echt. En het wordt erger.
Waarom sommige mensen daaraan schijnen te twijfelen is misschien voor een psycholoog verklaarbaar; voor een fysicus is dat niet het geval. Ik kan me van ruim 25 jaar Shell slechts één keer herinneren dat iemand aan de lunchtafel hardnekkig opwarming en broeikaseffect ontkende. Ik herinner me ook de reactie na afloop. Gênant. Deze zaak ligt toch duidelijk?

Wat door de jaren heen is veranderd is de manier waarop wij tegen dit probleem aankijken. Als één van de vele problemen in de 80er en 90er jaren van de vorige eeuw (nucleaire wapens, overbevolking, hongersnoden, zure regen en “waldsterben”) kwam dit ons voor als een moeilijk probleem maar één die voorlopig geparkeerd kon worden onder het kopje: voor een volgende generatie en technologische vooruitgang om op te lossen. Het is duidelijk dat die tijdelijke “oplossing” niet langer houdbaar is.

Bij de oplossing van dit probleem kunnen we verschillende keuzes maken. Hoe aanvaardbaar is gas als transitie brandstof? Moeten we meer focussen op kernenergie? Willen we in Nederland voorloper zijn in de energietransitie – desnoods ten koste van een stukje welvaart? Over dat alles kunnen de meningen verschillen. Maar kunnen we het eens zijn over de basics? De gemiddelde temperatuur aan het aardoppervlak neemt toe, het broeikaseffect is reëel en de rapporten van het IPCC geven een adequaat beeld. Of de opwarming nu 1,0 of 1,3 graad is sinds het begin van het industriële tijdperk (dat is zo ongeveer de mogelijke range) is van secundair belang.

Hebt u twijfels over de opwarming van de aarde? Laat er bij het kerstdiner iemand weten dat het allemaal wel meevalt? Wilt u niet geloven wat klimaatwetenschappers u vertellen? Neem het dan aan van een fossiele jongen. Een échte.

 

De VS: een fossiele supermacht

19-11-2018

Afgelopen week kwam de nieuwe World Energy Outlook uit van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). Iedereen pikte daaruit het zijne of hare op. De Guardian: er is geen plaats meer voor nieuwe fossiele centrales. Het FD: IEA waarschuwt voor een tekort aan olie als oliebedrijven niet snel meer gaan investeren.

Ik zou er iets anders uit willen lichten. Tot aan het jaar 2025 zal meer dan de helft van de groei van de olie- en gasproductie op het conto komen van de VS. In dat jaar, zo schat de IEA, zullen zij ongeveer een vijfde van de wereldwijde olieproductie en een kwart van de wereldwijde gasproductie voor hun rekening nemen. Zij zijn met recht op weg een fossiele supermacht te worden.

Dat heeft niets met het beleid van president Trump te maken. Schalieolie nam zijn grote vlucht onder president Obama die het geen strobreed in de weg legde. Trumps opvolger zal daar denk ik (nog) weinig aan veranderen. De winning van schalieolie is arbeidsintensief en zorgt voor een groot aantal goed betaalde banen. Goedkoop schaliegas, en de daaraan verbonden lage elektriciteitsprijzen en goedkope grondstoffen voor de petrochemie, is van groot belang voor de economie in de VS.

De productie van olie en gas zit er niet in het verdomhoekje zoals in Nederland. Waarom zou het? Het is het verbruik van olie of gas dat zorgt voor de uitstoot van broeikasgassen; niet de productie ervan. Als de VS het niet zou produceren kwam het wel uit Saoedi-Arabië, zo redeneert men in Texas.

 

Hoe houdbaar is dit business model? Tenslotte is er ook een ander Amerika, dat van New York en Californië, dat van Apple en Tesla. Het staat veel dichter bij Europa; ook in de kijk op klimaatverandering en de olie- en gasindustrie. Flyover country noemt men hier wel het meer republikeins georiënteerde gebied dat tussen New York en Californië in ligt. Hoe lang kan een land goed blijven functioneren dat uit twee zo verschillende delen en bevolkingsgroepen bestaat?

Het ontkennen van klimaatverandering – of de menselijke oorzaken ervan – is geen domheid maar een rationele (en vooralsnog effectieve) strategie om voor zijn belangen op te komen. Iets dat echter zo manifest onjuist is kan niet anders dan een beperkte houdbaarheid hebben. Uiteindelijk zullen de negatieve effecten van klimaatverandering ook doordringen tot de inwoners van Texas en de Midwest.

Als in de westerse wereld de productie van olie en gas ophoudt is dat niet omdat de olie in de grond opraakt, zoals men 10 jaar geleden wel dacht. En evenmin omdat een snelle daling van de vraag naar olie gaat leiden tot stranded assets, zoals sommige NGO’s nu beweren. Veeleer is de reden dat de productie van olie en gas maatschappelijk niet meer wordt geaccepteerd.

Als dat punt bereikt wordt, komt er een veelheid aan juridische en financiële tegenwerking en stroperige regelgeving die het produceren van olie en gas moeilijk, zo niet onmogelijk, maakt. In de VS lijkt dat punt nog ver weg te liggen. In Nederland zijn we er dicht bij – ook voor de gasproductie buiten Groningen – en dat pakt niet altijd goed uit.

Het ontwikkelen van de enige nieuwe significante offshore gasvondst in Nederland lijkt nu ernstige vertraging op te lopen omdat de overheid niet afkomt met vergunningen. Terwijl dit nieuwe veld, met een hoog gehalte aan stikstof, direct zou kunnen worden ingezet om Groningen te ontlasten. De nieuwe mijnwet brengt veel extra werk met zich mee en de hoeveelheid ambtenaren om dat werk te doen neemt af. Zij worden op andere dossiers gezet die prioriteit krijgen. De gunfactor voor de gasindustrie is nu eenmaal klein geworden in Nederland.

 

 

Drie taboes van de energietransitie

Energeia, 23-10-2018

Ken Caldeira van Stanford vraagt zijn studenten soms wat de grootste fundamentele doorbraak is geweest in de klimaatwetenschap sinds 1979. Het is een strikvraag. Er zijn geen fundamentele doorbraken geweest sinds die tijd.

Dat de verbranding van fossiele brandstoffen grote gevolgen heeft voor het klimaat weten we al lang. In een rapport uit 1965 aan president Johnson van de VS werden de toename van het CO2 niveau in de atmosfeer en de verwachte gevolgen (opwarming, zeespiegelstijging en het smelten van ijskappen) in detail besproken. Het  geeft ruim 50 jaar later nog steeds een lucide overzicht van het probleem.

Dat er lang zo weinig met die kennis is gedaan komt doordat men zich heel goed realiseerde hoe groot de economische pijn en disruptie zou zijn om hier wel echt wat aan te doen. Voor te stellen om fossiele brandstoffen daadwerkelijk te gaan uitfaseren werd taboe; het lag – in hedendaagse terminologie – buiten de beleidsrealiteit. De relatief kleine groep mensen die het wel deed werd simpelweg genegeerd.

Dit taboe werd pas doorbroken (met Parijs als mijlpaal) toen mensen met eigen ogen de gevolgen van klimaatverandering begonnen te zien. Het zelf observeren dat het warmer wordt geeft een veel sterkere motivatie om te handelen dan het weten dat dit ooit in de toekomst gaat gebeuren.

 

Toch was er wel degelijk een moment waarop een gedeeltelijk uitfaseren van fossiele brandstoffen op tafel lag. Kernenergie begon in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw een grote vlucht te nemen. Men voerde de productie van Groningen gas op tot ongekende hoogte – bezorgd als men was om met dat gas te blijven zitten. Shell zette een joint venture op met Gulf (nu Chevron), General Atomics, waar men een nieuw type reactor ontwikkelde.

Dat de geschiedenis een andere afslag heeft genomen is vooral te wijten aan het verbeten verzet dat NGO’s in de westerse wereld decennia lang voerden tegen kernenergie. Dit taboe op kernenergie leidde uiteindelijk tot de Duitse Atomausstieg – een zich aanpassen aan de realiteit dat voor het merendeel van de Duitse bevolking kernenergie geen acceptabele optie is.

Het taboe op kernenergie begint nu langzaam af te brokkelen. Voor velen is het omgaan met nucleair afval een veel kleiner probleem dan de opwarming van de aarde. Dat betekent niet dat daarmee het bouwen van nieuwe kerncentrales in een land als Nederland op korte termijn weer een serieuze optie wordt. Kernenergie is simpelweg te duur geworden. De weinige kerncentrales die nu nog gebouwd worden in de westerse wereld worden veelal ver boven budget opgeleverd.

 

Toen Roger Revelle en Wallace Broecker in 1965 hun rapport over klimaatverandering voor President Johnson schreven konden zij dat rapport nog onbekommerd afsluiten met een discussie van geoengineering technieken om klimaatverandering tegen te gaan. Bij geoengineering wordt de opwarming van de aarde tegengegaan door de reflectiviteit van de aarde te vergroten.

Het vergroten van de reflectiviteit van de aarde door middel van aerosols van sulfaten in de stratosfeer (zoals beschreven in een artikel van Nobelprijswinnaar Paul Crutzen) lijkt daarbij de meest realistische optie. Een programma dat de opwarming van de aarde met 1 graad beperkt kost naar schatting minder dan 10 miljard dollar per jaar. We zullen er weinig of niets van merken – hooguit dat de zonsondergangen iets roder worden.

We doen het al zonder dat het de bedoeling is: er is een koelend effect van aerosols die wereldwijd door industrie en kolencentrales worden uitgestoten dat zorgt voor een temperatuursdaling van ongeveer 0,5 graad en dat ruwweg een derde van de opwarming door broeikasgassen teniet doet. Dat kan efficiënter en met veel minder schadelijke bijwerkingen voor de gezondheid door op veel grotere hoogte te injecteren.

Het taboe op geoengineering is nog steeds voor de volle 100% van kracht. Dat is begrijpelijk: voordat men het weet vermindert het de animo om de emissies van broeikasgassen te reduceren. Maar wie gaat een land als China tegenhouden als zij over 20 jaar besluiten hiertoe over te gaan – als de gevolgen van klimaatverandering nog veel duidelijker en pijnlijker zijn dan nu het geval is?

 

Wij draaien de gasproductie uit kleine velden de nek om

Energeia, 25-9-2018

De regering probeert de gasproductie uit kleine velden in stand te houden. Dat is beter dan gas importeren, was de teneur van een brief aan de Tweede Kamer van minister Wiebes. Hij gaat daartoe de investeringsaftrek voor offshore velden uitbreiden en verhogen naar 40%. Hoeveel kans op succes heeft dit beleid?

Het track record van de productie uit kleine velden biedt weinig hoop. Die bleef de afgelopen jaren steeds achter bij de eerdere prognoses van overheid en staatsbedrijf EBN. Dat lag niet alleen maar aan de relatief lage gasprijzen.

Lokale overheden doen er veelal alles aan het boren en zoeken naar nieuwe kleine velden te frustreren. Daarmee werken zij het nationale beleid tegen. De facto hebben de meeste bedrijven het zoeken naar nieuwe kleine onshore velden inmiddels opgegeven. De onshore productie uit kleine velden zal de komende jaren dan ook snel naar beneden gaan; de afname van de productie uit de bestaande kleine velden is relatief hoog.

Ook offshore was er de laatste jaren een bijzonder laag niveau van activiteiten. Het enige recente lichtpuntje was de ontdekking van een nieuw gasveld op de Noordzee ten Noorden van Schiermonnikoog. Een relatief hoge belastingdruk (met name vergeleken met Engeland) en tijdrovende procedures om nieuwe licenties of boorvergunningen te verkrijgen helpen niet. Tien jaar geleden werd er jaarlijks nog 1 miljard euro geïnvesteerd in het zoeken naar nieuwe olie- en gasvelden in Nederland. Vorig jaar was dat 130 miljoen.

Op de achtergrond speelt het anti gas klimaat in Nederland. Hoe groot is de kans dat over pakweg 10 jaar een Nederlandse regering de gasproductie uit kleine velden geheel onmogelijk maakt? Het is de eerste vraag die een klein exploratiebedrijf zich stelt als het activiteiten in Nederland overweegt. Zelfs als die kans maar op 20% geschat wordt, kan het de doorslag geven om zich op Engeland of Noorwegen te concentreren. Het Nederlandse totaalpakket qua geologie en investeringsklimaat is simpelweg onaantrekkelijk geworden; in een mate die de overheid zich nog niet volledig heeft gerealiseerd.

De offshore gas infrastructuur gaat dan ook sneller omvallen (in economische zin) dan menigeen hier verwacht. Het zal het behouden van die infrastructuur voor de opslag van CO2 in lege gasvelden of voor het transport van waterstof (gegenereerd met bv offshore wind) bemoeilijken.

Het betekent ook dat de importafhankelijkheid van gas (reeds vanaf dit jaar zijn wij een netto importeur) snel verder zal toenemen. Onze gasconsumptie gaat voorlopig helemaal niet zo hard omlaag. De afgelopen twee jaar steeg die consumptie. De komende decennia zullen wij gas nog hard nodig hebben om het uitfaseren van kolencentrales op te vangen en als reservecapaciteit voor zon en wind.

Het de nek omdraaien van de Nederlandse gasproductie uit kleine velden door de Nederlandse samenleving is ronduit kortzichtig. Wat wij doen is het inruilen van Nederlands gas voor Russisch gas. Dat is niet goed voor Nederland uit het oogpunt van financiën, leveringszekerheid en milieu.

De totale bijdrage van Russisch gas aan het broeikaseffect is ongeveer 30% groter dan die van eenzelfde hoeveelheid Nederlands gas. Methaanlekkages en de grote hoeveelheid energie die nodig is om Russisch gas naar Nederland te transporteren liggen hieraan ten grondslag. De afgelopen 5 jaar was het negatieve effect van het in Europa vervangen van Nederlands gas door Russisch gas op het klimaat vele malen groter dan het positieve effect van de snelle toename van de Nederlandse elektriciteitsproductie uit zon en wind.

De Nederlandse samenleving lijkt het vertrouwen in gasproducenten verloren te hebben. Omgekeerd is dat echter ook het geval.

 

ONS: de grootste olie en gas conferentie in Europa

Energeia, 31-8-2018

Deze week vond in Stavanger de ONS plaats. Met zo’n 2000 deelnemers aan de conferentie en ruim 60.000 bezoekers aan de exhibition is het de met afstand grootste olie- en gasconferentie in Europa.

Mensen vliegen in vanuit de hele wereld. Men ziet er de CEO van Total, een voormalig hoofd van MI-6 en het hoofd commodity strategies van een grote investment bank samen op het toneel. Daarbij klinkt het Texaanse accent van Scott Sheffield die Pioneer tot één van de grootste Amerikaanse schalieoliebedrijven maakte (“I started this company at 30 million, I am now leaving it at 30 billion”).

De energietransitie.  Bij de vorige editie, twee jaar geleden, stond het overleven van bedrijven bij olieprijzen van 40 dollar per vat centraal. Dit keer is het de energietransitie en de overgang naar een low carbon world. Dat de energietransitie gaat plaatsvinden en de wereld van olie en gas fundamenteel zal veranderen is iets waaraan vrijwel niemand hier twijfelt (althans onder de bezoekers uit Europa). Maar hoe om te gaan met iets dat wel alles op zijn kop zet (en op sommige plekken de license to operate doet verdwijnen) maar nauwelijks in staat is om de vraag naar olie en gas te doen verminderen?

De antwoorden verschillen. Voor koplopers Total, Shell en Equinor (het vroegere Statoil) gaat nu een paar procent van de totale investeringen naar renewables en dat percentage stijgt snel. Equinor verwacht dat in 2020 20% van het onderzoeksbudget naar renewables gaat. Grote aandeelhouders (en in mindere mate NGO’s) hebben wel degelijk invloed op het beleid van deze bedrijven. Middelgrote Amerikaanse bedrijven daarentegen doen helemaal niets. Hun aandeelhouders hebben een heel andere boodschap: haal het niet in je hoofd je hiermee in te laten want het haalt de winst naar beneden.

Het illustreert de scepsis die er bij velen in deze industrie heerst over de aantrekkelijkheid van renewables, althans voor olie- en gasbedrijven. In een presentatie van Valentina Kretzschmar (van WoodMackenzie; een van de grote consultants in deze wereld) werden de rendementen van de projecten in renewables vergeleken met die van de conventionele olie- en gasprojecten: de laatstgenoemde bleken gemiddeld een factor 5 hoger.

Voor sommigen zijn de investeringen in renewables van olie- en gasbedrijven niet meer dan greenwashing; iets waarmee ze hun stakeholders tevreden kunnen houden. Er werd geopperd dat sommige bedrijven zich in de toekomst misschien zullen opsplitsen in een deel dat zich richt op renewables (aantrekkelijk voor ethische beleggers) en een deel dat zich uitsluitend richt op olie en gas.

Exploratie.  De financiering voor kleine bedrijven die zich vooral richten op de exploratie naar olie en gas is voor een groot deel weggevallen. Financiering voor het overnemen van producerende velden is er nog wel. Die komt dan vooral uit private equity en in mindere mate, zoals voorheen, vanuit banken.

Voor de exploratie van de majors zoals Shell kijkt iedereen de komende tijd naar deepwater Brazilië. Alle majors hebben hier posities verworven sinds Brazilië voor hen openging en Petrobras er niet langer de enige operator is. De prospects die de majors het afgelopen jaar hebben opgewerkt staan in hun wereldwijde ranking veelal bovenaan. Iedereen kijkt met spanning uit naar de putten die nu geboord gaan worden. De meest interessante tijd uit mijn carrière komt eraan liet Tim Dodson, hoofd exploratie bij Equinor, zich ontvallen.

Noorwegen.  Deze conferentie vindt plaats in Noorwegen; het land van Tesla’s en stroom uit waterkracht. Maar ook het land waar Equinor op deze conferentie Johan Sverdrup fase 2 aankondigde waarmee de productie van dit grootste nieuwe veld op de Noordzee gaat groeien naar 660.000 vaten per dag. Daarbij wordt de footprint van deze olieproductie zo laag mogelijk gehouden door een elektriciteitskabel van het vaste land naar het veld aan te leggen. Zodoende zal het gaan draaien op stroom uit waterkracht.

De olieproductie staat hier niet echt ter discussie. Zolang de economie voor een groot deel op fossiel draait is het beter dat fossiele brandstoffen uit Noorwegen komen dan uit Saoedi-Arabië (olie) of Rusland (gas) zo redeneert men. Zorg dat we zoveel mogelijk olie produceren uit de offshore liet Terje Soviknes, de Noorse minister van olie en energie weten, en dat er zo weinig mogelijk overblijft als de vraag naar olie echt wegvalt.

Oliemarkten.  Op de langere termijn verwachten velen dat de lage investeringen in nieuwe conventionele olievelden van de afgelopen jaren op den duur de kans op krappere oliemarkten en hogere olieprijzen groter maken.

Op de kortere termijn is er een grote onzekerheid in welke mate de Iran sancties de olie-export van dat land zullen doen verminderen. De eerste indicaties wijzen erop dat die afname relatief hoog zal zijn; tussen de 1 en 1,5 miljoen vaten per dag. Europese bedrijven als Total kunnen simpelweg geen zaken meer doen met Iran nu het land buiten het westerse financiële systeem is geplaatst, zo merkte Patrick Pouyanné van Total op. Kopers uit India merken dat het transporteren van olie uit Iran niet meer verzekerd kan worden.

Over deze materie schreef ik met Lucia van Geuns een rapport voor de denktank HCSS (the Hague Centre for Strategic Studies): “Towards tighter oil markets before peak oil demand”. Het staat sinds deze week online.

 

Over twee jaar is er de volgende editie van de ONS. Het valt moeilijk voor te stellen dat de energietransitie dan niet wederom centraal zal staan.

 

 

Gas: een groeimarkt

Energeia, 30-7-2018

In het recent uitgekomen jaarlijkse gas market report schetst de IEA het meest rooskleurige beeld van de vooruitzichten voor gas sinds het memorabele “Are we entering a golden age of gas” rapport uit 2011. De wereldwijde vraag naar gas groeide in 2017 met ongeveer 3%. Een groei die zich naar alle waarschijnlijkheid de komende jaren verder voort zal zetten.

Aan de vraagkant springt vooral China in het oog. Er wordt daar nu serieus gewerkt aan het verminderen van de grote afhankelijkheid van kolen in de energievoorziening. Ook al is gas slechts één van de alternatieven voor kolen (samen met renewables en kerncentrales), het heeft grote gevolgen voor de gasmarkten in Azië. Meer dan een derde van de wereldwijde groei in de vraag naar gas zal de komende jaren uit China komen.

Aan de aanbodkant springt vooral de VS in het oog. De gasproductie neemt er snel toe. De kosten voor de winning van schaliegas zijn er dermate laag dat schaliegas in de VS conventioneel gas geleidelijk aan vervangt. De hoeveelheid schaliegas onder de grond is er dermate groot dat de gasprijs er langdurig laag zal blijven; ook als er in de toekomst grote hoeveelheden LNG (vloeibaar gas) geëxporteerd gaan worden.

De VS: een nuchtere kijk op gas.  In de VS begint de opwekking van elektriciteit nu naar een mix van gas en renewables te convergeren. Zonnepanelen nemen een grote vlucht in de Zuidelijke staten. Wind speelt een grote rol in de Midwest. Texas, olie- en gasstaat bij uitstek, is ook de staat die de grootste hoeveelheid elektriciteit met wind produceert. Gas speelt met name een grote rol in die gebieden waar het geproduceerd wordt en in bevolkingsrijke gebieden zoals het Noordoosten met minder potentieel voor zon en wind.

Het zijn de lage kosten die daarbij de doorslag geven. Daarbij heeft gas het bijkomend voordeel dat het de dalen van de elektriciteitsproductie door renewables kan opvangen. Kolen wordt vooral weggeconcurreerd op basis van kosten. Het streven om emissies te reduceren speelt net zo’n meer ondergeschikte rol als de wens van president Trump om iets voor de kolenindustrie te doen.

De marktgedreven aanpak in de VS blijkt een goed compromis te bieden tussen kosten, leveringszekerheid en klimaat. De lage kosten van gas en elektriciteit zijn een groot voordeel voor de industrie in de VS. De lage kosten van renewables zijn op termijn een veel duurzamer fundament voor renewables dan politieke maatregelen. En op de korte termijn gaan emissies in de VS relatief snel naar beneden.

Ook Nederland gaat niet van het gas af.  De veel gehoorde verwachting hier is dat naast de gasproductie nu ook het gasverbruik in Nederland snel zal gaan dalen. Die verwachting lijkt steeds minder realistisch te worden.

De gasconsumptie in Nederland is op dit moment vrij constant. Het uitfaseren van kolencentrales zal het gasverbruik de komende tijd een duw in de rug geven. Als zon en wind in de toekomst back-up capaciteit nodig hebben is gas daarvoor een aantrekkelijk optie. Recente studies van onderzoekers aan de Universiteit Groningen en Aurora Energy Research voorspellen dan ook dat het Nederlandse gasverbruik nog lange tijd helemaal niet substantieel zal gaan dalen.

Aan de productiekant is het zinvol om de offshore infrastructuur voor gas in stand te houden. Zo kan men de tijd voordat waterstof een grotere rol kan gaan vervullen in onze energievoorziening overbruggen. Daarnaast zal men in de toekomst deze infrastructuur hard nodig hebben om CO2 ondergronds te kunnen opslaan. Daartoe dient de overheid de productie uit kleine velden te stimuleren – iets waarmee men recent ook een begin heeft gemaakt.

Ook in Nederland zullen naar mijn inschatting de nuchtere kosten baten analyses het uiteindelijk winnen. De weg daarnaar toe is echter moeizamer dan in de VS.

 

Een onbetrouwbare partner

Energeia, 4-7-2018

Delen van Europa beginnen een uithoek te worden voor de olie- en gasindustrie. Terwijl de consumptie van fossiele brandstoffen op peil blijft, verslechtert het vestigingsklimaat voor de productie ervan. Wie begint er nog aan een carrière in een industrie die in de media veelal wordt afgeschilderd als een vervuilende, toekomstloze en belasting ontduikende industrie?

Ook voor olie- en gasproducenten geldt dat zij het liefst in clusters bij elkaar zitten. Een kritische massa aan activiteiten zorgt voor een florerende industrie van toeleveranciers en service providers. Dat Maersk een jaar geleden uit de olie-industrie stapte had er ook mee te maken dat ze in Denemarken op een eilandje zaten.

Daarbij speelt dat sommige Europese landen zich een onbetrouwbare partner beginnen te tonen voor de traditionele energie-industrie. Dat ze afwillen van fossiel is niet het punt. Het gaat erom dat ze onderweg de regels van het spel veranderen (zonder daarvoor te willen compenseren). Zowel elektriciteitscentrales als olie- en gasvelden zijn projecten met een lange levensduur. Hierin te investeren betekent vertrouwen hebben dat de condities niet halverwege de rit worden aangepast. De sluiting van nucleaire centrales in Duitsland en de aanstaande sluiting van een aantal moderne kolencentrales in Nederland staat bedrijven duidelijk op het netvlies.

Is Nederland nog een betrouwbare partner?

Voor Groningen wil minister Wiebes nu de NAM tot een minimum productieniveau verplichten (wij kunnen nog niet zonder het gas uit Groningen). Daartoe wordt de wetgeving aangepast met een nieuwe Gaswet en Mijnbouwwet. De overheid is hier én wetgever én regulator én financiële partner. Dat wringt.

Om de afhankelijkheid van Groningen gas te verminderen, zonder daarbij de import van Russisch gas al te zeer te laten stijgen, wil de overheid nu weer de gaswinning uit kleine velden gaan stimuleren. Hoe toekomstbestendig is dit beleid? Het is niet denkbeeldig dat een bedrijf dat nu een nieuw veld gaat ontwikkelen (daartoe gestimuleerd door Rutte III) over enige jaren de productie weer moet stoppen (daartoe gedwongen door Klaver I).

Het kan een reden zijn om te investeren in een ander deel van de wereld waar dit risico niet speelt. Als de wereld uiteen valt in een deel waarin de productie van fossiele brandstoffen niet meer welkom is en een deel waar dat nog wel het geval is, moet men niet raar opkijken als oliebedrijven migreren naar dat laatste deel.

Het gevolg kan een zich verder voortzetten zijn van een trend die al langere tijd aan de gang is in Nederland en in de EU: terwijl de consumptie van olie en gas niet of nauwelijks afneemt neemt de productie (en daarmee de mate van zelfvoorzienendheid) wel snel af.

En hoe zit het met Shell?

De verzuchting van Marjan van Loon dat de liefde wel van twee kanten moet komen ligt nog vers in het geheugen. Shell staat verder af van Nederland dan dat men zich hier veelal realiseert. Shell is wereldwijd actief. Het grootste deel van de jonge mensen die hier worden aangenomen, voorbestemd voor een internationale carrière, is al lang niet meer Nederlands of Engels.

Van de drie poten van het bedrijf (Upstream International, Integrated Gas en Downstream/Chemicals) ligt het zwaartepunt van Integrated Gas in Zuidoost Azië. Hier zit de grote groei voor gas en LNG. Nederland mag dan van gas af willen; de rest van de wereld piekert daar voorlopig niet over. De petrochemie maakt bijna overal ter wereld (VS, Midden Oosten, Zuidoost Azië) een snelle groeiperiode door (maar niet in Europa). En Upstream International? Dat schuift misschien wel langzaam maar zeker, de facto, naar Houston op (het centrum van de wereld voor de olie-industrie).

Wat zou men, op de lange termijn, vooral vanuit Nederland kunnen blijven doen? Een hoofdkantoor, om historische en fiscale redenen, en een afdeling New Energies? Die laatste gaat misschien heel hard groeien. Maar in hoeverre olie- en gas bedrijven gaan kiezen voor hun huidige (op termijn krimpende maar traditioneel wel zeer winstgevende) core business of voor groei in renewables en elektriciteit is nog geen uitgemaakte zaak.

 

Op weg naar krappere oliemarkten?

Energeia, 11-6-2018

Het is nog maar twee jaar geleden dat, begin 2016, de olieprijs onder de 40 dollar per vat lag. De grote internationale oliebedrijven moesten alle zeilen bijzetten om hun hoge dividend te blijven uitkeren. De kleinere Amerikaanse bedrijven in schalieolie hadden de grootste moeite om te overleven. Men stelde zich in op een wereld van blijvend lagere olieprijzen.

Ondertussen ziet de wereld er heel anders uit. Met een huidige olieprijs tussen de 70 en 80 dollar per vat is de prijs in twee jaar tijd ongeveer verdubbeld. De voorraden zijn teruggekeerd op normale niveaus. Als verklaring voor die ontwikkeling springen vooral de productiemaatregelen van OPEC en de in een neerwaartse spiraal geraakte olieproductie van Venezuela in het oog. Toch spelen er op de achtergrond ook andere ontwikkelingen die, nu en in de komende jaren, kunnen zorgen voor een onderstroom richting krappere oliemarkten.

De lage investeringen door de conventionele olie industrie in 2015 – 2017 zorgden ervoor dat er toen slechts weinig nieuwe projecten werden opgestart. Voor de ontwikkeling van een nieuw olieveld zijn jaren nodig. De consequenties van deze lage investeringen voor de olieproductie beginnen nu langzaam zichtbaar te worden maar zij zullen dus pas ten volle gevoeld worden in de vroege 2020’er jaren.

Grenzen aan de groei voor schalieolie.  De afgelopen tijd werd een groot deel van de groei in de wereldwijde olievraag opgevangen door de snelle groei van VS schalieolie. De verwachting is dat de productie van schalieolie hier de komende jaren zal gaan afvlakken. Er is een groot aantal factoren op het gebied van infrastructuur en geologie die nu de verdere groei van VS schalieolie beginnen af te remmen.

De pijpleidingen die olie uit de Permian in West Texas (het belangrijkste schalieolie gebied in de VS) naar de raffinaderijen of havens aan de kust vervoeren, hebben nu hun maximale capaciteit bereikt. Het zal nog ruim een jaar duren voordat, met de ingebruikstelling van een nieuwe pijpleiding, deze bottleneck weer (tijdelijk) wordt opgeheven. Ook de capaciteit om de steeds grotere hoeveelheid gas, die met de olie wordt mee geproduceerd, te transporteren wordt een steeds grotere beperking. Affakkelen wordt slechts in beperkte mate toegestaan.

De schalieoliegebieden zijn weliswaar vrij uitgestrekt maar de plekken waar de opbrengst het grootst is (de sweet spots) en waar vrijwel alle productie plaatsvindt zijn veel kleiner. In de Bakken en de Eagle Ford (de twee langer bestaande gebieden) kan men nu nog vrijwel uitsluitend “infill putten” boren, putten tussen de bestaande putten in, die een 20 tot 40% lagere opbrengst hebben. In de Permian zal dat over een paar jaar ook het geval zijn. De verdere ontwikkelingen in technologie en efficiency, die er natuurlijk ook zijn, hebben steeds meer moeite om te compenseren voor de groeiende geologische beperkingen.

Hogere olieprijzen?  Het voorspellen van oliemarkten en olieprijzen is notoir onzeker. In de hoge olieprijswereld van 2010 tot 2014, toen de prijs boven de 100 dollar per vat lag, was het onderaanbod van olie ongeveer 1%. In 2015 en 2016 was er een overaanbod van ruim 1%.

Er is een veelheid aan factoren die tot zo’n overaanbod of onderaanbod kan leiden. Een economische crisis of een nieuwe brandhaard in het Midden Oosten volstaat. Op de korte termijn hangt veel ervan af hoe snel Rusland en Saoedi-Arabië, de leidende spelers in “OPEC-plus”, de huidige productiebeperkingen gaan afbouwen. De komende OPEC meeting op 22 Juni in Wenen gaat daarover mogelijk meer duidelijkheid geven.

Dat vraagteken in de titel staat er dus niet voor niets. Alles wat men kan zeggen is dat een scenario van krappere oliemarkten de komende jaren goed mogelijk (en misschien wel waarschijnlijk) is. Twee jaar geleden was het moeilijk voorstelbaar dat de olieprijs in de twee jaren daarna zou gaan verdubbelen. Nu is dat wederom het geval.

De oliemarkt is een cyclische markt. Op de lange termijn is er misschien een terugkerend gemiddelde voor de olieprijs van 70 of 80 dollar per vat. In de praktijk zitten we daar meestal ver onder of boven. Van olie hebben we nooit exact genoeg. We hebben er net iets te veel van. Of net iets te weinig.

 

Moeten oliebedrijven bang zijn voor stranded assets?

Energeia, 4-5-2018

NGO’s zoals Carbon Tracker stellen dat een carbon budget (er is een beperkte hoeveelheid CO2 die nog kan worden uitgestoten om aan Parijs te voldoen) leidt tot stranded assets. Als westerse oliebedrijven (want daarop richten zij hun pijlen) dat soort assets, die straks geen waarde meer hebben, nu in de boeken hebben staan impliceert dat volgens hen een carbon bubble: een overwaardering van hun aandelen die ooit zal worden doorgeprikt.

Dat er stranded assets zijn is duidelijk. Het verbranden van alle in de grond aanwezige fossiele brandstoffen zou leiden tot een opwarming van de aarde die vele malen hoger is dan dat we in Parijs hebben afgesproken. Maar leidt dit ook tot een carbon bubble?

Daarvoor is het van belang om na te gaan wat voor assets van oliebedrijven er stranded zouden kunnen zijn. Zijn dit bewezen, ontwikkelde, reserves? Of zijn dit mogelijke reserves in een prospect dat nog niet is aangeboord? Niemand kent er veel waarde toe aan een prospect dat wel of geen olie kan bevatten die wel of niet commercieel geproduceerd kan worden. Oliebedrijven worden gewaardeerd op basis van hun bewezen reserves. Daar hebben zij hun grote investeringen gedaan. Daar komt hun cash flow de komende 1 – 2 decennia vandaan.

Gemiddeld hebben westerse oliebedrijven een verhouding tussen bewezen reserves en jaarlijkse productie van ruim 10. Zonder enige investering zou de productie uit de bewezen en ontwikkelde reserves met gemiddeld 8 – 10% per jaar afnemen. Ook voor de scenario’s die wel aan Parijs voldoen neemt de olievraag bij lange na niet zo snel af. De uitstoot van de bewezen reserves valt ruim binnen het carbon budget. Sterker: ook hier is het nodig dat er nog steeds wordt geïnvesteerd – zij het voorzichtig en met mate.

Die voorzichtigheid betrachten met de grote internationale oliebedrijven ook. Ook zij hebben er geen belang bij de toekomstige olievraag te overschatten en te investeren in assets die ooit stranded kunnen worden. Zij investeren dan ook wel nog steeds in schalieolie (met een korte terugverdientijd) of deepwater (met een gemiddelde terugverdientijd) maar nauwelijks meer in Canadese oliezanden (met een lange terugverdientijd).

Bubbels komen uit een onverwachte hoek. Men kan moeilijk zeggen dat dat voor klimaatverandering het geval is. Oliebedrijven maken zich er dan ook niet echt zorgen over dat hun huidige assets kunnen leiden tot een carbon bubble. Hooguit over het geloof dat sommige van hun investeerders aan deze theorie lijken te hechten. Echt bezorgd zijn zij over heel andere zaken.

Voor het verlies aan maatschappelijk draagvlak lijkt Nederland voorloper te zijn. Is de even verbeten als doeltreffende strijd die hier door een grote groep mensen tegen de olie- en gasindustrie gevoerd wordt een voorproefje van wat er in de rest van de wereld staat te gebeuren?

Stel dat wij over enige jaren voor olie in een nieuwe cyclus van hoge prijzen terecht zijn gekomen – iets dat heel wel mogelijk is gezien de huidige lage investeringen. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van klimaatverandering weer wat duidelijker en pijnlijker geworden. Komen oliebedrijven dan nog weg met een periode van torenhoge winsten? Of worden er juridische concepten uit de hoge hoed getoverd waarmee men, volledig legaal, die winsten kan afromen? Wat is er logischer dan een deel van die winsten te gebruiken om de kosten van klimaatverandering op te vangen?

Is het voor de olie-industrie nog wel een optie of zich uitsluitend te concentreren op een krimpende en steeds impopulairder wordende core business? Of wordt men, om zijn license to operate te behouden, gedwongen om te investeren in renewables of elektriciteit met een, naar het zich laat aanzien, structureel lager rendement dan dat van de olie-industrie?

Gaan wij op de lange termijn toe naar een wereld waarin olie structureel minder winstgevend wordt? Zo’n 50 jaar geleden verloren de grote westerse oliebedrijven een groot deel van hun productie door nationalisaties. Zij kregen er ook iets voor terug: hogere prijzen. Er is echter een wereld denkbaar waarin men geen of minder dure olie uit schalie of deepwater wint maar waar een land als Saoedi-Arabië veel meer produceert dan het nu doet.

Westerse oliebedrijven mogen dan geen stranded assets hebben onder hun bewezen reserves, Saoedi-Arabië (met een verhouding tussen bewezen reserves en productie van ongeveer 70) heeft die wel degelijk. Men kan daar de prijs hoog houden of de hoeveelheid olie die in de grond blijft zitten minimaliseren – maar niet beide.

De winstgevendheid van de westerse oliebedrijven staat of valt bij de strategie van een land als Saoedi-Arabië om relatief weinig te produceren ten opzichte van hun geologisch potentieel. Blijft dat ook zo en is OPEC, te samen met Rusland, in staat de cohesie op de lange termijn te bewaren als hun budgettaire problemen steeds groter worden en olie niet langer een schaarse grondstof is die we tot in lengte van dagen nodig zullen hebben?

Westerse oliebedrijven hebben veel grotere zorgen aan hun hoofd dan hun eigen stranded assets.

 

 

 

Een Nederlandse Energiewende

Energeia, 5-4-2018

Dat het Merkel menens was met de Energiewende werd duidelijk toen zij in het voorjaar van 2011 de beslissing nam om, na Fukushima, alle kerncentrales te gaan sluiten. Het gevolg was een stranded asset in de vorm van kerncentrales waarvoor het draagvlak in Duitsland ontbrak.

Ook wij beginnen hier nu aan een Energiewende en als we later ooit een datum voor het startschot moeten prikken dan zal dat waarschijnlijk de dag zijn waarop minister Wiebes het einde van de Groningen gasproductie aankondigde. Ook hier is het gevolg een stranded asset: Groningen wordt nu de grootste stranded asset in de olie- en gaswereld (al zullen er vele – en grotere – volgen).

Het is een keerpunt: het grootste deel van onze bevolking heeft nooit anders gekend dan dat Groningen een centrale rol speelde in hun energievoorziening. De boot is nu afgeduwd en wij varen een veilige haven uit. En hoe ongewis de toekomst nu ook lijkt: om iets te bereiken moet men soms een veilige haven uitvaren.

Hoe is het de Duitsers vergaan? Ik denk, met alle kanttekeningen die er bij hun Energiewende gemaakt kunnen worden, goed! En die kanttekeningen moeten wel gemaakt worden: de kosten worden steeds hoger en de CO2 uitstoot is tot nu toe niet gedaald.

De Energiewende leidde tot een snelle stijging van de energie uit zon en wind die in hoge mate bijdroeg aan de drastische kostendalingen ervan. Het gaat er, in deze vroege fase van de energietransitie, niet om de uitstoot van CO2 zo snel mogelijk terug te brengen maar om die technieken te vinden die een grote vlucht kunnen nemen en ons op de lange duur een kans geven onze doelen te bereiken. Wie had er 10 jaar geleden kunnen dromen dat offshore wind zo’n grote vlucht zou nemen? Daarmee slaat de weegschaal door naar de succeskant. En is de Energiewende een cadeau van de Duitsers aan de wereld.

 

Het biedt hoop voor de Nederlandse Energiewende. Die zal duur zijn en leiden tot een verlaging van de koopkracht. Een meer geleidelijke afbouw van de Groningen gasproductie was ongetwijfeld beter geweest. Maar er zullen ook onverwachte successen zijn.

En Groningen dan, het ging toch om de Groningers? Is het erg cynisch om daar twijfels over te hebben? Zestig jaar lang ging het landsbelang voor dat van de Groningers (en hoe hard dat ook klinkt: dat was terecht) en nu zou dat opeens anders zijn? Is dit besluit alleen door veiligheid gedreven of ook door de wenselijkheid van een energietransitie?

De kans op een succesvolle claim van Shell en ExxonMobil (de NAM aandeelhouders) is nihil als de productiebeperkingen alleen zijn ingegeven door veiligheid. Die kans is reëel als productiebeperkingen gerelateerd zijn aan een verandering van beleid en een andere kijk op de wenselijkheid van gas. Door het alleen op veiligheid te gooien vermindert het kabinet in één keer én de kans op een claim én de kans op een moeizame politieke discussie over de kosten voor burgers van de energietransitie.

Misschien worden de beste beslissingen soms in achterkamertjes genomen. Dat was in 1960 zo en de snelle invoering van gas heeft het land toen goed gedaan. Misschien is dat in 2018 wel weer zo.

Want laten we wel zijn: klimaatverandering is een groot probleem en vereist dat men wereldwijd de koe drastisch bij de horens vat. Als die aanpak hier nu snel in gang kan worden gezet dan moet dat maar – voordat populisten van links of rechts de zaak gaan traineren en voordat de burger doorheeft wat hem overkomt. Laat dat grote Duitse cadeau maar gevolgd worden door een klein Nederlands presentje.

Een stukje realisme voor geothermie

Energeia, 28-3-2018

Ik draag geothermie een warm hart toe. Mijn respect voor de tuinders die dit van de grond kregen.

Deze tuinders richten zich op de sweet spot van geothermie in Nederland. Op een diepte van ongeveer 2 – 3 km is het water zo’n 70 – 100 graden, goed geschikt om huizen of kassen mee te verwarmen, en is de doorlatendheid nog goed genoeg om water met voldoende snelheid en volume rond te kunnen pompen. Op grotere dieptes neemt de doorlatendheid van zandsteen snel af.

De jaarlijkse bijdrage van geothermie bedraagt nu ongeveer 3 PJ (PetaJoule). In zijn recente beleidsbrief Geothermie gaf Minister Wiebes een indicatie dat die bijdrage in 2050 ongeveer 110 PJ zou kunnen zijn (ongeveer 15% van de totale warmtevraag). Hiervoor heeft de minister twee ijzers in het vuur: een grote toename van geothermieprojecten voor de bebouwde omgeving van de huidige 3 naar 80 PJ en het van de grond brengen van UDG (ultradiepe geothermie) voor de industriële warmtevraag (die hogere temperaturen vereist) van 0 naar 30 PJ. Hoe realistisch zijn deze getallen?

De bestaande 16 projecten zijn vrijwel allemaal door tuinders gerealiseerd. In de toekomst lijken daar gemeentes en warmtebedrijven bij te komen. Wat opvalt is dat, in tegenstelling tot bij voorbeeld offshore wind, grote industriële bedrijven hier niet instappen. Naar mijn inschatting heeft dat twee redenen.

Opschaling is voor geothermie veel moeilijker dan voor offshore wind. De afmeting en capaciteit van een individuele windmolen nemen snel toe. Daarnaast zijn economies of scale relatief makkelijk te realiseren door de parken groter te maken. Een vergelijkbare aanpak voor geothermie zou grid drilling over grotere gebieden vereisen. Dat is in ons dicht bevolkte land moeilijk te realiseren.

Zon en wind hebben het laatste decennium relatief grote kostendalingen laten zien. Voor het boren van putten, de grootste kostenpost voor geothermie, ligt dat anders. De olie- en gasindustrie doet het al decennia lang op grote schaal. Het potentieel voor verdere kostenbesparingen is beperkt. De enige manier om hier nog enigszins kosten te besparen is het boren in campagnes.

Voor UDG ligt het probleem bij de lage doorlatendheid van gesteentes op een diepte van 4 tot 6 km (nodig voor de vereiste hoge temperaturen). Alleen voor kalksteen is het niet bij voorbaat kansloos. In kalksteen kunnen onder bepaalde omstandigheden spleten of gaten gecreëerd worden. Die kunnen ook op grotere dieptes in stand blijven of zelfs gevormd worden (hoewel ook hier met een toenemende diepte de kans kleiner wordt).

Hierop richten EBN en TNO dan ook hun haalbaarheidsonderzoek. Wat daarbij opvalt is dat men geen kans op succes naar buiten wil brengen. Daarom geef ik U hier mijn eigen inschatting. In het Noorden en Midden van het land schat ik die kans op ongeveer 10%. De beoogde kalksteen (Dinantien) ligt hier erg diep op 5 tot 6 km, de twee putten die er geboord zijn (Luttelgeest en Uithuizermeeden) vonden vrijwel geen doorlatendheid en het boren naar deze dieptes is tijdrovend en zeer duur. De twee bestaande putten deden er elk ongeveer een half jaar over. De kans dat men op basis van seismiek zones met betere doorlaatbaarheid kan vinden is naar mijn inschatting klein.

In het Zuiden ligt het anders. Hier heb je op dieptes van rond de 4 km een reële kans op én hoge temperatuur én genoeg doorlatendheid. Er is een (min of meer) werkend analoog in de buurt: bij Mol in België. Waarbij het in Mol niet van een leien dakje gaat: in een van de 2 putten was de doorlatendheid erg klein en er traden reeds bij de injectietest kleine aardbevingen op. De grootste kans op doorlatendheid heeft men in breukzones. En daar vind men SODM op zijn weg. SODM ontraadt het boren in breukzones vanwege het risico van geïnduceerde seismiciteit.

Toch is het niet de relatief geringe kans van slagen die mij het meeste zorgen baart. En evenmin het UDG werkprogramma van EBN en TNO; zij doen de juiste dingen. Het zijn de opdrachtgevers. Van de 270 mensen die een recente UDG dag bijwoonden had een groot deel naar mijn inschatting geen enkele technische expertise. Zij zelf dachten daar, gezien de resultaten van een enquête, soms anders over. Deze opdrachtgevers willen zo graag. Sommigen rekenen zich reeds rijk voordat de beer geschoten is. Het moet – anders halen we Parijs niet. Yes, we can.

Over de maakbaarheid van de samenleving kan men discussiëren. Over de maakbaarheid van de aarde niet. Als een gesteente niet doorlaatbaar is dan is dat zo. Men dient ambitieus te zijn om iets te bereiken. Men dient ook realistisch te zijn om daarbij geen onnodige uitglijders te maken.

 

De Tesla’s van de olie-industrie

Energeia, 5-3-2018

Schalieolie heeft de oliewereld op zijn kop zet. De snelle stijging van de productie is de belangrijkste oorzaak van de relatief lage olieprijzen van de laatste jaren. De productie van schalieolie in de VS kan de komende jaren doorgroeien richting 10 miljoen vaten per dag.

Het brengt de VS, nog steeds een energieslurpende natie, een heel eind richting energy independence. Een doel dat voor de EU (met zijn dalende productie van fossiele brandstoffen) de afgelopen jaren steeds verder uit het zicht raakt, alle vooruitgang in renewables en efficiencies ten spijt.

 

Achter die stijging zit een technologische doorbraak. Er zit ook een industriële doorbraak achter – men produceert en frackt er putten zoals een autofabrikant auto’s produceert. Laten we niet onderschatten hoe moeilijk dit is geweest. Het zegt iets over de kracht en de dynamiek van de Amerikaanse samenleving. Maar ook over hun tolerantie ten opzichte van grootschalige industriële activiteiten.

Wat minder publiciteit krijgt is dat er (althans voor de olie-industrie) ook een financiële revolutie aan ten grondslag ligt. Tot op de dag van vandaag maakt VS schalieolie geen winst. De negatieve cash flow van deze industrie als geheel bedraagt tot nu toe enige honderden miljarden dollars. VS schalieolie heeft investeerders een mogelijkheid gegeven in snel tempo grote hoeveelheden geld in de olie-industrie te pompen. Ook in de van oudsher financieel conservatieve oliewereld heeft het rentebeleid van de FED zijn sporen achtergelaten.

Qua financiën moeten we deze bedrijven dan ook niet vergelijken met een bedrijf als Shell maar met een bedrijf als Tesla. “They are burning cash in anticipation of a great and bright future”. Hierin te investeren is uitgaan van verdere technologische vooruitgang. Of verder stijgende olieprijzen. Of een groter marktaandeel (en liefst dat alles tegelijk). Net als bij Tesla is het geen gegeven dat dit goed gaat aflopen.

 

VS schalieolie confronteert de grote internationale oliemaatschappijen met een dilemma. Zij hebben hier geen voorsprong ten opzichte van de kleinere niche producenten. Sommigen, zoals ExxonMobil en Chevron, stappen er vol in. Total begint er niet aan. Shell zit er een beetje tussen in.

Dat de meesten van hen zich toch in deze tot nu toe verliesgevende industrie begeven heeft een reden. Werkelijk grote hoeveelheden nieuwe olie buiten het Midden Oosten, met niet al te hoge break even kosten, zijn eigenlijk beperkt tot 2 gebieden: Brazilië deepwater en de Texas Permian (het grootste VS schalieoliegebied met het meeste resterende potentieel).

Het is geen eenvoudige keuze want ook in de conventionele olie-industrie zit men niet stil. Ook daar leiden verdere standaardisatie en automatisering tot substantiële kostenverlagingen. De overcapaciteit in de service industrie voor conventionele olie (bv boortorens) is nog steeds zo hoog dat de prijzen laag zijn.

 

Mensen uit de wereld van renewables lijken er in hun enthousiasme wel eens van uit te gaan dat technologische vooruitgang en kostendalingen zijn voorbehouden aan de wereld van renewables. Dat is niet zo.

In de afgelopen 10 jaar steeg het aandeel “new renewables” (zeg maar zon en wind) in de wereldwijde primaire energie behoefte van 0 naar 2%. In diezelfde tijd steeg het aandeel “new oil and gas” (VS schalieolie en -gas) van 0 naar 6%.

 

 

Wees voorzichtig met wat je wenst

Energeia, 16-2-2018

NGO’s roepen bedrijven als Shell op om te stoppen met investeren in nieuwe olie- en gasvelden. Zij vragen daarbij pensioenfondsen en andere beleggers om steun.

Olieproducenten sluiten hun ogen niet voor de grote gevolgen die klimaatverandering voor hun industrie heeft. De investeringen die zij doen in renewables lopen snel op. Voor Shell gaat het budget van “New Energies” nu naar tussen de 1 en 2 miljard dollar per jaar. Wat minder de aandacht trekt: ook de investeringen van de majors in hun core business verschuiven.

Er is een vermindering van de investeringen in Upstream (de olie- en gasproductie) en een grotere focus op chemie. Binnen Upstream is er een trend naar projecten met een kortere terugverdientijd en een lagere carbon footprint. Er is minder focus op exploratie (met name in geheel nieuwe gebieden) en meer focus op het verhogen van de productie uit bestaande velden. Een lagere, en meer onzekere, toekomstige vraag naar olie speelt bij dit alles wel degelijk mee.

Vrijwel alle majors (op ExxonMobil na) zijn bezig hun belangen in Canadese oliezanden af te stoten. Dat is niet alleen een kwestie van kosten en lage investeringen in deze tijden van relatief lage olieprijzen. Men is ook meer terughoudend geworden met het investeren in projecten met een looptijd van meerdere decennia. Men sorteert voor op een mogelijk minder waard worden van olie uit velden met een hoge carbon footprint.

Maar wij hebben olie nog wel nodig.  Op dit moment neemt de vraag naar olie nog steeds toe. Ook bij een scenario dat erop mikt de opwarming tot 2 graden te beperken is er in 2030 nog 80 – 90% van de huidige olieproductie nodig.

Zonder enige investering neemt de productie uit een conventioneel olieveld gemiddeld met ongeveer 8 – 10% per jaar af. Als we niet blijven investeren zijn we over enige jaren meer afhankelijk van landen als Saoedi-Arabië. Of zien we een nieuwe cyclus van hoge olieprijzen. Of beide!

De mate waarin westerse oliebedrijven nieuwe reserves weten toe te voegen heeft nu een dieptepunt bereikt. Het is het logische gevolg van de lage investeringen van de afgelopen jaren. Investeerders en analisten hechten er ook nog maar weinig waarde aan. De focus ligt op de korte termijn winst.

Schalieolie uit de VS kan het gat niet blijven vullen. Voor 2 van de 3 VS schalieolie gebieden is de snelle groeifase inmiddels achter de rug. Een krappere oliemarkt en een nieuwe cyclus van hoge olieprijzen begint nu aan de horizon te verschijnen.

Iedereen is bezig met de lagere vraag naar olie op de lange termijn. Misschien moeten we ook eens nadenken of we wel goed zijn voorbereid op de krappere oliemarkten die daaraan vooraf kunnen gaan.

Focus op de vermindering van de consumptie van olie.  NGO’s willen dat oliebedrijven stoppen met hun investeringen in olie en gas. Wees voorzichtig met die wens! Als het al iemand helpt is dat vooral de olie-industrie zelf: om de kapitaaldiscipline op te brengen die nodig is om zo snel mogelijk uit deze periode van lage olieprijzen te komen.

Het is naar mijn mening voor NGO’s veel zinvoller zich te concentreren op het verminderen van de consumptie van fossiele brandstoffen dan de productie ervan.

Hogere prijzen voor fossiele brandstoffen zijn nodig bij het tegengaan van klimaatverandering. Maar liever in de vorm van belastingen of heffingen op de uitstoot van broeikasgassen dan in de vorm van hogere prijzen voor ruwe olie.